Enge man

04. Markettenweg

     0

Op de radio hoorde ik Strawberry Fields forever van de Beatles, de achterkant van de single Penny Lane, nummers waarin John Lennon en Paul McCartney beiden op hun eigen wijze terugdachten aan hun jonge jaren in Liverpool.

Jeugdherinneringen in een jeugdherinnering, en ik dacht bij mezelf: Waar liggen mijn Penny Lane en Strawberry Fields? Het antwoord kwam sneller dan ik verwacht had. Ik ging terug naar die paar vierkante kilometer in Dordrecht, de stad waar ik van mijn vijfde tot mijn twintigste jaar gewoond heb, en zag mezelf weer lopen over de Markettenweg, langs het grote witte hek van het slachthuis, voorbij de gashouder, op weg naar de kapper aan de Dubbeldamseweg.

Mijn vader kreeg in Dordrecht een baan als keurmeester en vanaf het platteland van Overijssel verhuisden wij naar de grote stad. Ik vond het prima, want het was saai op die boerderij. In tegenstelling tot mijn broers zat ik nog niet op school en dus ik liet ik niemand in Gramsbergen achter. Het kon alleen maar beter worden.

Die eerste jaren in Dordrecht werden inderdaad de meest zorgeloze van mijn jeugd. Mijn moeder werkte nog niet, mijn broer en zus merkten nog niet dat ze een erfelijke spierziekte hadden en mijn vader was blij dat hij nu het hele jaar door keurmeester was. Want in Overijssel werden er in de zomer niet zoveel koeien geslacht, zodat hij drie maanden lang zijn slagersmes moest inruilen voor het fluitje van de badmeester. De gemeente Hardenberg was zuinig: mijn vader was tenslotte gemeenteambtenaar, en hij kon zwemmen.

De Dubbeldamseweg dus, althans het stukje tussen de spoorwegovergang en het pleintje bij de ingang van de begraafplaats. Die spoorwegovergang was meer dicht dan open, want al het treinverkeer tussen Rotterdam, Breda en Gorinchem kwam erlangs. Het was iedere keer weer een dilemma: wachten tot de spoorbomen opengedraaid werden, of toch maar een stukje omlopen om het tunneltje te nemen? Want naast de spoorwegovergang was een vochtige voetgangerstunnel, niet te verwarren met die grote andere, de tunnel van het centrum van Dordt naar de wijk Krispijn en de Zwijndrechtse brug.

Naast de ingang van dat tunneltje was een patattent, waar wij op zondagmiddag tien cent mochten versnoepen. Zo’n dubbeltje was goed voor een zak friet zonder mayonaise maar met gratis mosterd, een grote zure bom of vier Belga-kauwgoms. Of een ijsje, maar we moesten het niet wagen om een waterijsje te vragen, want de patatboer snauwde je dan verontwaardigd toe dat hij alleen maar limonade-ijs verkocht. Aan de andere kant van het tunneltje was café Versteeg, waar mijn vader met zijn collega’s weleens een biertje dronk, en dat ik later goed leerde kennen als vertrekpunt van mijn laatste twee rijexamens, nadat ik al vijfmaal in Utrecht gezakt was. Het is het enige examen waar ik ooit voor gezakt ben, maar dan wel zes keer.

De mooiste winkel van de Dubbeldamseweg was de boekhandel tegenover dat café,  in een hoekpand op de T-splitsing met de Mauritsweg. In de ene etalage lagen boeken als Ben Hur, Exodus of Angélique, markiezin der engelen. Angélique leek op Brigitte Bardot en ik had niet de indruk dat zij de goedkeuring van mijnheer pastoor kon wegdragen. Ze is in ieder geval nooit op onze boekenplank terechtgekomen.

De andere etalage was veel aantrekkelijker: daar stonden de kleurdozen van Caran d’Ache breed uitgestald: kleine dozen met twaalf kleurpotloden en grote van wel veertig stuks, mooi op kleur gesorteerd. Ieder jaar weer stond de grootste doos op mijn verlanglijstje, totdat een oudere jongen mij voor de dichte spoorwegbomen vertelde dat Sinterklaas niet bestond, en dat mijn ouders alles regelden, tot en met de zwarte handschoen die vanuit de donkere gang pepernoten de huiskamer in gooide. Ik wilde nog wel vasthouden aan mijn geloof, maar de twijfel was onomkeerbaar en ik wist het nu zeker: die grote kleurdoos ging er niet komen.

Een kruidenier was er niet op dat kleine stukje Dubbeldamseweg, maar wel een bakker, een melkboer, een slager en een groentenboer met de voornaam Steef. Dat stond tenminste op zijn winkelruit. En nog steeds denk ik, als iemand mijn voornaam afkort tot Steef: Alsjeblieft niet, ik ben toch geen groentenboer? Maak er dan maar Stef van.

O ja, ik was dus op weg naar de kapper en daar had ik een vreselijke hekel aan. De Beatles zaten nog in Hamburg, met vetkuiven en leren kleding, dus dat was het niet. Het was die ene kapper, van wie ik iedere keer weer hoopte dat hij mij niet zou knippen, maar die niet te ontlopen was. Hij gaf vriendelijke kneepjes in mijn wangen, toonde teveel belangstelling en vertelde op een dag, dat hij een filmcamera gekocht had. Of hij niet eens naar het zwembad mocht komen om mij te filmen? Nee, natuurlijk niet, maar hoe zeg je dat als kind? Misschien had ik het thuis moeten vertellen, maar het was zo’n raar verhaal, voor mij nog zonder kop of staart. Iedere maand ging ik met lood in mijn schoenen naar de kapper en holde na afloop keihard de Markettenweg af, naar huis.

Achteraf denk ik, dat ik van deze kindervriend die kleurdoos wel had kunnen krijgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email

Post-navigatie:




Wat je niet wil missen:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: