Over ziek zijn (2): Confrontatie

Blog

     0

De vloedgolf aan bezoek, bloemen en kaarten is teruggelopen tot een gestaag voortkabbelende stroom, met af en toe een dag met een schuimkop. De belangstelling, warmte en waardering geven me het gevoel er nu in ieder geval nog niet alleen voor te staan, iedere vorm van medeleven voelt als een arm om mijn schouders. Het levert veel gesprekken op, ruim boven het weekgemiddelde van het afgelopen coronajaar, en dat is wennen. Het introverte deel van mijn persoonlijkheid is bijna transparant geworden, ik voel dat ik nauwlettend geobserveerd word en het maakt mij bijna niets meer uit. Mijn kaarten houd ik niet langer tegen de borst, mijn jokers liggen al op tafel.

In mijn huidige situatie zorgt een eerste gesprek met mensen soms voor ongemak, wat moet je zeggen tegen iemand die het bericht, dat niemand wil ontvangen, toch kreeg? Jarenlange relaties lijken ineens door de kou bevangen en het ijs moet opnieuw gebroken worden. Door mijzelf doorgaans, en ik doe dat door open over mijn situatie te spreken en duidelijk te maken dat mijn geest nog dezelfde is, ondanks alles positief, en dat ik nog heel goed in staat ben te genieten. Tweede gesprekken lopen gelukkig veel vlotter, het verwachtingspatroon is aangepast en dat zorgt voor een meer ontspannen sfeer.

Maar de herwonnen vertrouwelijkheid van zo’n tweede of soms ook derde gesprek heeft ook een valkuil, wanneer ik geconfronteerd word met diepergaande vragen en ik weer een niet-transparante laag moet prijsgeven. Ben ik boos? Hoe kijk ik terug op mijn leven? Heb ik ergens spijt van? Ben ik bang voor de dood? Heb ik steun aan mijn geloof? 

Nee, boos ben ik niet. Op wie of wat zou ik boos moeten zijn? Ik geloof niet dat God mij op deze manier persoonlijk wil straffen, de artsen hebben gedaan wat ze konden, er is niets wat ik had kunnen doen om deze ziekte te voorkomen en ik heb niets gedaan om het te veroorzaken. Het is pech, een voldongen feit en een gedane zaak die, naar de mens gesproken, geen wending meer zal nemen. Het is mijn levenslot.

Sterker nog, ik heb tegenwoordig minder boosheid in me. Met enige regelmaat kwam er voorheen nog wel eens een onaangename jeugdherinnering bovendrijven, die ik eerst toch met de nodige irritatie moest vermalen, voordat ik verder kon. Die herinneringen komen nog steeds, maar de ongemakkelijke context is verdwenen.

Oneerlijk vind ik mijn situatie wel, maar vooral voor mijn vrouw, mijn kinderen en mijn kleinkinderen. Ze zijn te jong of te kwetsbaar om de man, die ik zelf spottend nu Stef 0.5 noem, weg te zien kwijnen tot een schim van de Bourgondiër die hij ooit was. Wederom is de weegschaal geen vriend van mij, maar nu om een andere reden. De 9 zag ik via de 8 richting 7 gaan, maar ik wil het niet meer zien. De spiegel vertelt mij genoeg. En natuurlijk sla ik de bladzijde met overlijdensadvertenties in de krant snel over, maar kan het toch niet laten even een blik te werpen op de geboortejaren in de advertenties. Ik zit duidelijk onder het gemiddelde. Maar wat is eerlijkheid hierin waard?

De kinderen zijn uit balans en ik zie ze af en toe wankelen, zoekend naar een nieuw evenwicht, vaak met en soms tegen elkaar. En ondertussen proberen ze nog zoveel mogelijk van mij in zich op te nemen, mij te absorberen, maar dat gaat ze hierin in ieder geval niet helpen. De gezinsopstelling staat onder druk en ze zullen zichzelf ten opzichte van elkaar moeten herdefiniëren, ze zullen hun onderlinge relaties opnieuw vorm moeten geven en zich op een andere manier tot elkaar moeten gaan verhouden. Ik kan alleen maar hopen dat ik ze hiervoor voldoende wijsheid heb kunnen meegeven en dat ze mijn egoïstische beslissingen in dit leven snel als zodanig zullen herkennen en naast zich neer kunnen leggen.

Heb ik ergens spijt van? Hoe kijk ik terug op mijn leven? Het is bijna onmogelijk hierover na te denken zonder dat Frank Sinatra in mijn hoofd My way gaat zingen, en ‘Old Blue Eyes’ was bepaald geen rolmodel voor mij. Spijt gaat doorgaans over bewuste keuzes, die verkeerd uitpakten, maar zij hebben op hun beurt weer nieuwe keuzes opgeroepen die de juiste weg wezen. Het is als bij mijn tekeningen, schilderijen en blogs: de laatste was nooit ontstaan zonder al zijn voorgangers, hoe imperfect deze soms ook waren. Nee, er zijn geen noodlottige beslissingen geweest waar ik spijt over hoef te hebben, het leven heeft me gebeeldhouwd tot de persoon die ik nu ben, en ik kan met hem best door één deur. Ik ben mezelf nooit verloren.

Geloven en dood zijn nauw met elkaar verbonden, maar het lukt me nog niet deze twee te verenigen. Wat het eerste betreft klamp ik me vast aan het kinderlijk geloof uit mijn jeugd, vol engelen en heiligen, zonder alle twijfels die concilies, onfeilbare pauselijke uitspraken, dogma’s en de Heidelberger Catechismus later gezaaid hebben. Een mystiek geloof, waarbij aards machtsdenken en ambtelijke structuren ver weg zijn en niet alles met woorden verklaard of bewaakt hoeft te worden. Misschien is het voor een deel overbelicht jeugdsentiment, maar ik heb er veel steun aan. Het brengt mij rust.

Met de dood zit ik nog lang niet op één lijn. Ik kan me er namelijk niets bij voorstellen er ineens niet meer te zijn, en dat maakt het erg moeilijk erover na te denken. Misschien is dit een manier om de confrontatie zo lang mogelijk uit te stellen, een tijdelijk overlevingsmechanisme wellicht, terwijl ik aan de andere kant niet blind ben voor wat de ziekte met mijn lichaam doet en dat dit proces onherroepelijk een doodlopende weg is. Daarom probeer ik te wennen aan het gegeven dat deze ziekte mij uitmergelt en mijn energievoorziening den duur uitput, zodat ik vanzelf naar het moment van overgave glijd, waarschijnlijk begeleid door medicatie.

Eerlijk gezegd kan ik me bij mijn laatste vier weken meer voorstellen dan bij mijn laatste moment. Staat Petrus inderdaad aan de Hemelpoort? Of gaan al mijn kennis en mijn creativiteit ineens verloren, als computerbestanden die gewist worden? Blijf ik als energie ergens in het universum zweven? Bij het onvoorstelbare kan ik me inderdaad dus nog steeds niets voorstellen.

Laat ik tenslotte proberen een misverstand uit de weg te ruimen. Als ik als klein kind huilde, zei mijn vader steevast: Huil maar als je moeder begraven wordt. Huilen was thuis gekoppeld aan kwetsbaarheid, en mijn ouders stopten na de oorlog hun kwetsbaarheid diep weg, huilen was voor hen te laat. Ook ik heb die emotionele uitlaatklep al jong leren dichten, maar ik heb wel altijd gedacht dat mensen die het meeste huilen niet per sé het meeste verdriet hebben. Sommigen veronderstellen daarom dat er diep in mij zich een enorm reservoir aan nog niet gehuilde tranen bevindt, die er nu wel uit zullen gaan komen. Ik moet ze hierin teleurstellen, dat reservoir is er niet. Huilen gaat niet meer lukken, snikken of een traan over mijn wang nog net wel. Dat ziet er heel onbeholpen uit, als een auto met een haperende startmotor of een lege benzinetank. De accu is nog prima, maar verder dan het geluid van starten kom ik niet.

Vooral muziek, onverwachts, op het juiste moment en met de juiste tekst, kan deze geconcentreerde tranen wel oproepen. Dat hoeft geen verbazing te wekken, want al op jonge leeftijd heb ik juist daarin een wereld vol emoties gevonden, die wel in mij waren maar niet om me heen, en die ik niet heb leren uiten. Niet voor niets is muziek sinds die tijd een sluiproute naar mijn gevoel geweest. Misschien is de tijd gekomen voor het Ave Maria.

 

Print Friendly, PDF & Email

Post-navigatie:




Wat je niet wil missen:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: