Pech (7): De fuik

Blog

     0

Het is nu 98 dagen geleden dat ik mijn gewichtsverlies naar de huisarts bracht. Wat ik toen nog niet kon vermoeden was dat ik hiermee in een fuik gezwommen was, waaruit geen terugkeer mogelijk is. De eerste weken gebeurde er niet veel, het was afwachten of mijn schildkliermedicijn verantwoordelijk was voor mijn afvallen, de meest voor de hand liggende optie. Achteraf spijt het mij dat hiermee zoveel tijd gemoeid was, en dat bedoel ik niet als kritiek. Het had mijn onzekerheid kunnen bekorten.

De internist in het IJsselland Ziekenhuis in Capelle aan den IJssel was de volgende en heel bepalende hoepel in de fuik, want natuurlijk kwam er nader onderzoek, een CT-scan. Toen ik zes dagen later op een zonnige donderdagochtend naar de buitenpoli van het ziekenhuis liep, gevestigd in het verpleeghuis waar mijn vrouw jarenlang gewerkt heeft, had ik een dubbel gevoel. Zo’n scan zou mijn hele innerlijk blootleggen, van blaas tot strottenhoofd, en ging natuurlijk meer duidelijkheid brengen, maar de kans dat het een ongemakkelijke waarheid ging openbaren was ruimschoots aanwezig.

De locatie was kleinschalig, alles liep keurig op tijd en voor ik het wist lag ik in het scanapparaat. Het was een futuristische ervaring en ik moest denken aan de film van Stanley Kubrick, 2001 A space odessey. Om mezelf bezig te houden probeerde ik me de bijbehorende muziek voor de geest te halen en bij de openingsklanken van Also sprach Zarathustra van Richard Strauss schoof ik heen en weer door de witte holle buis. De uitslag van de scan bracht me een week later weer met beide benen terug op de grond.

De volgende hoepels van de fuik passeerde ik daarna snel. Vervolgonderzoeken, eerst een echo-endoscopie en het nemen van enkele biopten. Deze onderzoeken moest ik nuchter ondergaan, maar ik was voldoende gedrogeerd om er vrijwel niets van te merken. Ja, keelpijn achteraf, van de slangen die via mijn keel mijn lijf ingegaan waren. De arts vertelde me direct na afloop haar bevindingen, maar niet alles staat me nog bij, alleen dat de afwijkingen op mijn maagwand behoorlijk waren, maar dat de alvleesklier schoon was. En terwijl ik dit later opschreef, sloeg de twijfel toe. Zou dit echt zo zijn?

De twijfel werd versterkt door het telefoontje van mijn internist vier dagen later. Er was besloten dat er op korte termijn ook nog een PET-scan gemaakt ging worden, en de volgende ochtend moest ik me, nuchter maar met een liter water in mijn lijf, om half negen melden in het Erasmus Ziekenhuis in Rotterdam. Een groot ziekenhuis, waar ik me erg klein voelde en waar het me nog duidelijker werd dat ik hard op weg was patiënt te worden, en misschien was ik dat al wel. Kankerpatiënt, dreunde het in mijn hoofd, kankerpatiënt.

Op een verre afdeling, met spierwitte kamers en gangen zonder daglicht, kreeg ik een infuus met radioactieve glucose, moest daarna drie kwartier mezelf uiterst rustig houden om het actieve weefsel in mijn lichaam dit op te laten nemen, en kwam toen onder het volgende scanapparaat te liggen. Twintig minuten met je armen boven je hoofd duren lang, en heel bewust liet ik mijn levensloop aan mij voorbijkomen. Maar door een onaangenaam gevoel in mijn rechterarm werd dit afgebroken in mijn studententijd, omdat ik alle mij bekende bewegingloze ontspanningsoefeningen de revue moest laten passeren.

Ik was blij om in de verte een deur te horen opengaan en even later mijn armen te kunnen laten zakken. Gedesoriënteerd verliet ik de afdeling, volgde de borden naar de uitgang en met een krentenbol in mijn hand appte ik mijn vrouw. Ze kwam me bij het metrostation ophalen, maar een zoen of omhelzing mocht niet. Ik was nog enigszins radioactief en voelde me als een volwassen versie van the radiant baby van Keith Haring.

En hoe voel ik me nu lichamelijk? Natuurlijk ben ik sneller vermoeid, al was het maar door het gewichtsverlies en de spierafbraak. Pijn heb ik nog niet echt, hooguit een zwaar gevoel op mijn maag, af en toe vermeerderd door de spanning van de afgelopen tijd. Want ondanks al mijn pogingen om iedere keer weer het licht en de lucht op te zoeken, blijft ongerustheid een geduchte tegenstander. Ik realiseer me terdege dat ik allang niet meer de man ben, die met een stevig postuur en redelijk gemak twee kilometer zwom. Die is allang uit mijn spiegelbeeld verdwenen. Lekker eten is er niet meer bij en bier, zelfs Trappistenbier, smaakt niet meer. Ik drink nu glaasjes ranja. Veel inspanningen lever ik niet meer, ik doe slechts het hoognodige en moet keuzes maken in mijn perfectionisme. Kortom, het inleveren is allang begonnen en is waarschijnlijk nog lang niet klaar.

 

Wordt vervolgd

Print Friendly, PDF & Email

Post-navigatie:




Wat je niet wil missen:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: