De witte krijtrotsen van Dover waren al goed zichtbaar, toen uit de luidsprekers de mededeling kwam dat wij als gevolg van de harde wind helaas pas over anderhalf uur de haven zouden kunnen binnenvaren. Iedere ferry moest door een sleepboot geholpen worden de haven binnen te varen en aan te meren, en er was maar één sleepboot beschikbaar. Gelukkig scheen de zon en wachten met uitzicht op die mooie kustlijn was niet echt een straf.

Langzaam heen en weer schommelend dacht ik aan al die andere keren dat ik deze haven, of die van Harwich, was binnengevaren en ik probeerde ze te tellen. Bijna vijftien keer, en dan telde ik de twee aankomsten met de Eurostar op het station van St. Pancras in Londen niet eens mee.

Waarom wil ik iedere keer weer naar Engeland, waarom kan ik geen genoeg krijgen van Londen? Op zoek naar het antwoord op deze vraag dacht ik terug aan die sinterklaasavond van meer dan zestig jaar geleden. Mijn broer kreeg van de Sint een album met een mapje met kleurenfoto’s, dat mijn ouders met koffiepunten bij elkaar gespaard hadden.

Het boek heette Groot-Brittannië en op de achterkant van iedere foto stond op welke bladzijde deze ingeplakt moest worden, en op die bladzijde stonden stippellijntjes om scheef inplakken te voorkomen. Een paar dagen later bladerde ik gefascineerd door het ingeplakte album en zag ik foto’s van Londen, van monumenten waarop de Union Jack trots wapperde en van rode dubbeldekbussen in een drukke winkelstraat. Er stonden mannen met indrukwekkende uniformen in, pubs met fraaie uithangborden, pittoreske haventjes, bloemrijke tuinen en ongerepte landschappen.

Zes jaar later kocht ik bij Radio Cohen, op het Dordtse winkelcentrum Crabbehoff, A well respected man, mijn eerste single van de Kinks. Op de hoesfoto zaten Dave Davies en Mick Avory op één van de kanonnen bij de Tower, terwijl Ray Davies en Pete Quaife ernaast stonden. Op de achtergrond was Tower Bridge nog net zichtbaar en deze twaalfjarige puber nam zich voor ooit zelf op die magische plek te staan.

Het verlangen naar swinging London en Carnaby Street werd nog verder gevoed door hun volgende hit Dedicated follower of fashion en in gedachten winkelde ik samen met Ray Davies in Regent Street en op Leicester Square. Ik zag ik er net zo hip uit als mijn muzikale helden.

Ik draaide Play with fire van de Rolling Stones en probeerde me een beeld te vormen van St. John’s Wood, Stepney en Knightsbridge. Met de Byrds was ik eight miles high boven de stad, die grijs was van de regen, met Donovan liep ik over Cromwell Road door zonnig South Kensington, op weg naar Itchycoo Park. Gisteravond was ik met Dave Dee, Dozy, Beaky, Mick and Tich in Soho , vanavond zou ik de zon onder zien gaan bij Waterloo Station.

Toen wist ik nog niet dat ik pas zes jaar later zelf Oxford Street zou oversteken, en in de tussentijd voegden de Beatles de Royal Albert Hall, Abbey Road, en met hun dakconcert  ook Savile Row aan mijn plattegrond toe. Naar de hoek van Baker Street en Paddington Street hoefde ik niet meer te gaan, want de psychedelische muurschildering van Marijke Koger en Simon Posthuma, de vader van Douwe Bob, was al na een half jaar van de gevel van de Apple Boutique verwijderd. De Westminster City Council had er geen toestemming voor gegeven. In Schotland speelde Jerry Rafferty in de Humblebums en had nog geen advocaat in Baker Street nodig om de erfenis van Stealers Wheel te ontrafelen.

Op mijn negentiende verjaardag stond ik dan eindelijk op Picadilly Circus en ik zag met eigen ogen de lichtreclames en de bussen. De tijd van swinging Londen was voorbij, de glamrock van T. Rex en Roxy Music begon de hitparade te domineren en Major Tom was veranderd in Ziggy Stardust. Carnaby Street had veel van zijn glans verloren, maar voor mij was de magie van de metropool met zijn neoklassieke gebouwen gebleven.

De namen van de straten en van de metrostations klonken nog steeds als muziek in mijn oren en ik nam de metro naar Shepherd’s Bush, alleen maar om er te kunnen zijn. Bij Notting Hill Gate stapte ik uit om over de vlooienmarkt van Portobello Road te lopen, waar Cat Stevens zijn hond natuurlijk niet meer uitliet. Zonder gêne kon ik nog genieten van de koloniale pracht en de roofkunst in het British Museum en ik wist: in deze stad kom ik zeker nog een keer terug.

Meer dan tien keer inmiddels, en afgelopen weekend heb ik er eindelijk iets kunnen kopen wat mij in 1966 niet lukte. Keith Moon, de drummer van de Who, stond in de Muziek Expres in een T-shirt met daarop een schietschijf. Tenminste, dat dacht ik toen, maar inmiddels weet ik dat deze cirkels geleend zijn van de Royal Air Force. De jonge Londense mods maakten het tot hun logo en hun favoriete bands waren de Small Faces en vooral de Who. Het shirt was bij ons op de Voorstraat te koop, maar op school mochten wij geen T-shirts dragen en mijn moeder vond het al helemaal niks.

In een zijstraatje van Carnaby Street is een winkeltje dat zich gespecialiseerd heeft in kleding uit de jaren zestig. In de etalage zag ik het shirt liggen en ik was verkocht. Als je deze zomer een zestiger tegenkomt in een te jeugdig T-shirt, bedenk je dan dat, als je maar lang genoeg wacht, je kunt krijgen wat je wilt. Zoek op Spotify, liever nog: pak uit je platenkast, nog eenmaal My generation van de Who en stotter met zanger Roger Daltrey mee: I hope I die before I get old.

Is die Brexit nou echt nodig?

Print Friendly, PDF & Email