Eindelijk was ik van die rotschool af en kon ik gaan studeren. Het huis uit, naar Utrecht. Op de formulieren van de plaatsingscommissie had ik Groningen als voorkeursstad ingevuld, want verder weg van huis kon ik in Nederland niet komen. De commissie besloot anders en ik was blij dat ik in ieder geval niet naar die kakstad Leiden hoefde.

Bij de aanvraag van een studiebeurs moest ik een rekeningnummer opgeven, dus opende ik bij een klein postkantoortje op de Dordtse Krommedijk een girorekening. Dat was handiger dan bij een bank, want ik kon op ieder postkantoor, in Dordrecht of in Utrecht of zelfs in het buitenland, geld opnemen. Dat ging overigens niet zomaar, want de Postcheque- en Girodienst stuurde je speciaal voor dit doel twee kascheques, ieder goed voor een opname van vijfhonderd gulden. Als je ze beide gebruikt had, en het saldo was nog steeds positief, kreeg je twee nieuwe. Dat was nog behoorlijk link, want de brievenbussen van de studentenflat stonden beneden in de hal, en de sloten erop waren niet van Fort Knox-kwaliteit. Kascheques waren toen net zo geliefd als pinpassen nu.

Mijn weekeinde begon met een bezoekje aan het postkantoor, om negentig gulden op te nemen. Daar moest ik de hele week van rondkomen, dus was het zaak om op vrijdag- en zaterdagavond kalm aan te doen, anders werd het van maandag tot vrijdag chili con carne of een gebakken ei. Een enkele treinreis Utrecht-Dordrecht kostte net geen tien gulden, zodat ik, wanneer ik liftend heen en weer ging, een kleine twintig gulden uitspaarde, die ik vervolgens op zaterdagmiddag omzette in een elpee.

In deze jaren leerde ik wat Eddie Cochran bedoelde met zijn Summertime blues: voor een zomervakantie had ik wel tijd, maar geen geld. En tegen de tijd dat ik met een vakantiebaan voldoende geld had verdiend, was die vakantie bijna voorbij. Vrienden losten dat anders op, die kochten gezamenlijk een oude auto, lapten die een beetje op en gingen ermee naar het zuiden. Bij thuiskomst zouden zij de auto weer verkopen, als deze tenminste Nederland weer wist te bereiken. Maar ik was nooit iemand van op hoop van zegen, heb nog steeds geen benul van techniek en, eerlijk gezegd, vertrouwde ik de technische kennis van mijn vrienden ook niet. Ik bleef dus thuis en miste die zomer de tijd van mijn leven.

Een paar jaar later kreeg ik een vriendin, met een auto. Dat laatste was natuurlijk geen doorslaggevend argument voor mijn liefde, maar het was in de erop volgende zomervakantie toch wel mooi meegenomen. We leenden een tent, kochten twee slaapzakken, stonden bij de ANWB een halve middag in de rij voor een kampeercarnet en vertrokken richting Normandië. Op het postkantoor hadden we beiden met één kascheque vijfhonderd gulden opgenomen en de bank had onze guldens omgewisseld voor Franse francs. Voor noodgevallen onderweg hadden we ieder nog één een kascheque over.

Van de francs herinner ik me vooral de grootste munt, die we plichtsgetrouw bewaarden voor de telefooncel. Want om de dag belden we naar huis en natuurlijk luisterden we iedere ochtend naar de oproepen van de Wereldomroep, om er zeker van te zijn dat er thuis nog steeds niets aan de hand was en we niet gezocht werden.

Van de vakantie zelf herinner ik mij vooral de regen. In Dieppe was het nog maar licht bewolkt, in Yport werden de wolken al wat grijzer en in Honfleur regende het. Ook Étretat zagen we in de regen, bij Le Mont Saint-Michel klaarde het even op en tijdens een stortbui in Saint-Malo besloten we Normandië te verlaten en het binnenland in te trekken. Helaas deed die depressie dat ook zodat we, na een aantal natte kasteeltjes aan de Loire, op een camping in de buurt van Orléans besloten het op te geven en naar huis te gaan. De volgende ochtend scheen in Dordrecht de zon.

Hongerig waren we daar midden in de nacht aangekomen, want het kleine postkantoortje naast de camping vertrouwde de kascheques niet en verwees ons naar het hoofdpostkantoor, in het centrum van Orléans. We besloten het erop te wagen, legden het geld voor de tolweg alvast opzij en gooiden de tank vol. Toen hadden we nog precies genoeg Franse francs over voor nog een halve tank benzine. We stopten bij het laatste Franse tankstation, want Belgische francs hadden we natuurlijk ook niet. Er bleef nog net genoeg geld over voor een stokbrood en een fles water.

Vroeger was alles natuurlijk beter, maar ik maak graag een uitzondering voor het Franse weer, de euro en de pinpas. En de smartphone natuurlijk.

Print Friendly, PDF & Email