Het is niet mijn favoriete seizoen, de winter. Hij begint eigenlijk al als de herfst het verder zonder kleuren moet doen en de bladeren dakgoten verstoppen en fietspaden glibberig maken. De wind is guur in november, het daglicht wordt steeds korter en mijn zwaarmoedigheid ligt op de loer. De donkere dagen vóór kerst brengen mij nog naar de zonnewende toe, maar als de zon haar schijnbare beweging richting de Steenbokskeerkring heeft ingezet betekent dat nog niet dat er ineens weer een overvloed aan licht is.

Langzaam kruipen de eerste dagen van de winter naar het nieuwe jaar en brengen goede voornemens en hoop met zich mee, om die op een blauwe maandag achter te laten. Vanaf dat moment is de nabije toekomst een onafzienbare vlakte zonder perspectief. Alles lijkt nog ver weg, wat rest is kou, duisternis en gladheid.

Maar ergens  in februari gebeurt er ieder jaar een klein wondertje. Sneeuw of niet, tussen de kale takken in de tuin, tussen de gevallen en rottend zwarte bladeren van de hortensia en de Japanse anemonen, verschijnen de eerste tere groene blaadjes van de winterakoniet, een paar dagen later bekroond met prachtige gele bloemetjes die mijn melancholie ineens een stuk dragelijker maken. De hoop keert terug, er staat weer een stip aan de horizon en ook dit jaar gaat er weer een einde komen aan donker en kou. Natuurlijk denk ik dan weer even aan mijn vader, en minder dan ooit kost het mij moeite om hem liefdevol te gedenken.

Mijn vader was namelijk vaak in de grote tuin van het aangepaste huis te vinden. Het was een uitlaatklep, zowel voor zijn perfectionisme als voor zijn individualiteit, die hij na zijn vervroegde pensionering moest delen met mijn moeder en mijn gehandicapte broer. Zijn vrijheid was hij kwijt, nu hij niet meer dagelijks half Nederland kon doorkruisen om in dienst van de Veterinaire Hoofdinspectie misstanden bij de vleesverwerkende industrie op te sporen en te voorkomen. Maar hij had nog steeds zijn tuin.

Natuurlijk had hij in het najaar al bollen geplant, en als de tulpen boven de grond stonden werd het tijd om de lange strook grond aan de zijkant van de woning te beplanten met viooltjes, die twee maanden later weer vervangen werden door vlijtige liesjes, afrikaantjes of petunia’s. Tussen de dwergconiferen tegen het huis aan waren de winterakonieten natuurlijk allang uitgebloeid, maar hij had er nog wel aan gedacht een handvol knolletjes mee te nemen, om in onze achtertuin te laten verwilderen.  En dat is prima gelukt, zoals ik een maand geleden weer mocht zien.

Ja, ik houd van winterakonietjes.


Galantofiel ~ liefhebber of verzamelaar van sneeuwklokjes.


Natuurlijk denk ik dan ook aan mijn schoonmoeder, want ook zij hield van haar tuin en aan haar hebben wij onze sneeuwklokjes te danken. Ze tierden welig onder de struiken naast het garagepad van de buren en natuurlijk mocht ik een paar kluiten wegsteken. En het jaar erop nog een paar.

Toen mijn schoonmoeder in het huis van haar overleden moeder kwam te wonen, kon die tuin overigens wel een oppepper gebruiken, want hij was netjes maar saai. Kleinkinderen maaiden het gras, tussen het grind groeide natuurlijk geen onkruid en voor de zondag werden de biggels keurig geharkt. De ligusterhaag en de klimop werden regelmatig gesnoeid, het lage hekje zat goed in de verf en de oude perenboom, die nog deed denken aan de bomen bij de timmerwerkplaats van vroeger, bleef natuurlijk staan, hoewel hij ieder jaar minder wilde giesemannen gaf.

Ook mijn schoonmoeder wilde een nette tuin, maar meer als van een Engelse cottage, een bloemenzee van bloeiende struiken en vaste planten, met zaaigoed in mooie potten. Ze was trots op de vruchten van de bramenstruik en op haar tomatensoep, waaraan de maggiplant uit eigen tuin zo’n heerlijke smaak gaf. En een nieuwe generatie kleinkinderen klom in de perenboom, maaide het gras en hielp met snoeien.

Al is het dan ook nog winter, ieder voorjaar wachten de winterakonieten op de sneeuwklokjes en kunnen mijn vader en schoonmoeder elkaar opnieuw begroeten. Een paar weken later, als de forsythia bijna gaat bloeien, voegt ook mijn moeder zich bij hen. Want zowel voor mijn moeder als voor mijn schoonmoeder was geen Chinees klokje veilig, de gele takken brachten het voorjaar immers ook naar binnen en ze moesten geplukt worden.

Mijn schoonmoeder plaatste volle takken in een robuuste koperen vaas op een bijzettafeltje, bij mijn moeder kwamen bescheidener takjes in een zilveren vaasje op de salontafel te staan, om later plaats te maken voor bloeiende mimosa of geurende fresia’s met een takje asparagus.

Ja, ik houd ook van sneeuwklokjes.

 

WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat bij Martha een link achter naar je eigen blog.

Print Friendly, PDF & Email