Nog steeds kost het me enige moeite te zeggen dat ik op het gymnasium heb gezeten. In de eerste plaats is goed kunnen leren geen verdienste van jezelf en daarnaast plaatst het me in een maatschappelijke groep, waarin ik me niet thuis voel. Alsof ik bij Thierry Baudet of Mabel Wisse Smit op school gezeten heb. Als ik in die jaren bij vrienden thuis zei dat ik op het gymnasium zat, had ik het gevoel met enige argwaan bekeken te worden. Heeft hij het echt zo hoog in zijn bol? Maar ik kon er ook niets aan doen, in de zesde klas van de lagere school moest ik toelatingsexamen doen op het katholieke Rotterdamse gymnasium, waar mijn oudste broer al op zat, en ik slaagde. Wist ik veel.

Iedere dag reisde ik per trein op en neer tussen Dordrecht en Rotterdam Centraal. ’s Ochtends met de sneltrein van 8.18 uur heen en ‘s middags met de stoptrein van 15.20 uur terug, met uitzondering van het jaar waarin er op dinsdag en op donderdag ook nog een zevende lesuur was. Het zesde lesuur eindigde om 14.55 uur en dit moment heb ik nog jarenlang met mij meegedragen. Ik kon er niet van los komen, het leek wel of ik iedere middag weer om vijf voor drie op mijn horloge keek en terug moest denken aan dat moment waarop de regen in de drup overging, het tijdstip waarop school na een korte treinreis overging in huiswerk, altijd weer huiswerk.

Op zaterdag eindigden de lessen na het vierde uur, zodat ik dan de sneltrein van 12.55 uur kon halen en op die vrije middag liet ik mijn huiswerk tot zondag liggen. Dan had ik tijd om de auto’s van mijn vader en de buurman te wassen.

In september 1967 stuurde de rector een brief aan de ouders, waarin hij hen om medewerking vroeg om hun zonen met succes naar het volgende schooljaar of het eindexamen, te brengen: Ik acht het onverenigbaar met het verkrijgen van een goed studieresultaat, indien uw zoon een vast baantje, b.v. een krantenwijk aanneemt. Eveneens is het vaak bezoeken van fuifjes, een gewoonte die hand over hand toeneemt, zeer weinig bevorderlijk voor het behalen van een goed studieresultaat. In dezelfde week stonden de Rolling Stones met We love you op de eerste plaats van de Top 40 en een maand daarvoor waren er in Woodstock drie dagen van vrede en muziek gevierd.


Onomatopee ~ 1) Door klanknabootsing gevormd woord 2) Klanknabootsend woord 3) Klanknabootsing 4) Nabootsing van een klank in een woord 5) Taalkundige term


Tussen je twaalfde en achttiende jaar duren dagen lang, vooral op school. Met de Mammoetwet kwam in 1969 de vrije zaterdag op school, maar alleen voor nieuwe leerlingen. Meisjes werden pas tot de school toegelaten toen ik al in de vierde klas zat en dat leeftijdsverschil was niet te overbruggen. Dus zat ik al die jaren zes dagen per week bij paters Franciscanen op een katholieke school, met alleen maar jongens om me heen.

De rector en pater prefect liepen in een bruine pij, de conrector ook nog barrevoets op sandalen.  Zij woonden in een herenhuis naast de school, verzorgd door een huishoudster en door een hoog hek en dichte vitrage afgeschermd van de blikken van hun leerlingen. De pijen heb ik langzaam zien verdwijnen, maar tot in mijn examenjaar heb ik les gehad van paters in Grieks, Latijn, Nederlands, aardrijkskunde en uiteraard godsdienst. Bij één van hen was acht het hoogste cijfer dat een leerling kon halen, de negen was voor hemzelf en een tien was voorbehouden aan God.

Mijn klassieke opleiding begon in de eerste klas met de voltallige Griekse en Romeinse godenwereld, Griekse stadstaten, de Peloponnesische en Punische oorlogen en alle keizers tot aan de verdeling van het Romeinse rijk. Na een jaar lang repeteren van Latijnse en Griekse woorden, en het oefenen van naamvallen, stamtijden, verbuigingen en vervoegingen, werd ik toegelaten tot de Olympus en mocht ik gaan vertalen.

De werken van de Griekse schrijvers Xenophon, Homerus, Herodotos en Plato en hun Romeinse tegenhangers Ovidius, Livius, Tacitus en Vergilius vulden in de hoogste klassen zestien van de vierendertig wekelijkse lesuren. De lessen Frans, Duits en Engels brachten maar weinig afwisseling, want ook hierin stonden het stampen van idioom en vertalen naar het Nederlands toe centraal. Het was bijna leuk een uur algebra te krijgen.

Terwijl Neil Armstrong voet zette op de maan, leerde ik van Homerus dat een onomatopee een klanknabootsing is, want in Ilias en Odyssee werd er heel wat gesist, gekraakt, geklapt, gekreund en gesteund. Terwijl elders in de stad voorbereidingen werden getroffen voor het Holland Pop Festival rondom de Kralingse Plas, leerde ik het epitheton ornans kennen, het sierende bijvoeglijke naamwoord. Want rondom Troje was de dageraad altijd rozevingerig, de godin Athene uilogig en Achilles snelvoetig. Daar konden Jefferson Airplane en Supersister in Rotterdam niet tegenop.

Ik maakte kennis met prolepsis en anakoloeten, contradictio’s in terminis en zeugma’s, maar achteraf heb ik het idee die jaren vooral te hebben doorgebracht in een archaïsme, in een verouderd onderwijsideaal dat ouders wilde helpen hun zonen tot ontwikkelde en karaktervaste katholieke Nederlanders op te voeden. Het sloeg me lam en het maakte me willoos. Ik koester dan ook geen bijster warme gevoelens voor de zeven jaar, die ik in deze leerfabriek heb moeten doorbrengen. In mijn examenjaar heb ik me iedere dag met spijt bedacht dat, als ik in de tweede klas niet was blijven zitten, ik er al vanaf was geweest.

Heel af en toe rijd ik nog wel eens langs het kille schoolgebouw aan de Rotterdamse Beukelsdijk, ik ben er ooit zelfs naar binnen gegaan om te kijken of ik mijn geheugen nog wel kon vertrouwen, of ik het niet allemaal verzonnen had. Met knikkende knieën liep ik weer door de gang met de zwart-wit gestreepte tegeltjes, over de uitgesleten traptreden en ik stapte een klein lokaal binnen, waarvan ik me niet kon voorstellen dat hierin ooit dertig jongens gepast hadden. Ik rook boenwas en angstzweet, kreeg het benauwd en keek op mijn horloge. Het was vijf voor drie, de hoogste tijd om weg te wezen.

En zoals op er elders in Rotterdam met grote neonletters op het dak van een verzekeringskantoor staat: Alles van waarde is weerloos, zou ik hier op de gevel willen zetten: Dit gebouw heeft te veel gezien, te veel jeugd ging hier verloren. Met de grond gelijkmaken kan natuurlijk ook, alleen is het gebouw nu een rijksmonument.

 

Met dank aan Lucebert (De zeer oude zingt, 1974) en René Daalder/Boudewijn de Groot (De verbouwing, 1975). WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat bij Martha een link achter naar je eigen blog.

 

 

Print Friendly, PDF & Email