Als ik ergens niet goed in ben, is het wel om mezelf kwetsbaar op te stellen. De wortels hiervan gaan zo ver terug, dat het vrijwel onmogelijk is om te achterhalen of dit in mijn aard ligt, door omstandigheden zich zo heeft ontwikkeld of dat het een combinatie van deze twee is.

Om bij het eerste te beginnen: van nature ben ik introvert, maar door de jaren heen heb ik allerlei maniertjes ontwikkeld om dit enigszins te maskeren. Als de situatie erom vraagt, kan ik mezelf best een paar uren een extraverte rol aanmeten en op deze manier heb ik het vijfendertig jaar voor de klas volgehouden. Maar leraar ben ik nooit geweest, ik heb het altijd gespeeld en misschien was het wel de beste rol van mijn leven. Want ik beschikte in voldoende mate over de vaardigheden die ervoor nodig waren, ik had alleen een alter ego nodig om deze in te kunnen zetten.

Daarnaast ben ik opgegroeid in een gezin dat onderling nogal competitief ingesteld was. Met twee broers boven me en een zusje onder me, en niemand drie jaar ouder of jonger, kon dat ook bijna niet anders. We wilden allemaal aandacht van onze ouders en daar was nu eenmaal ellebogenwerk voor nodig. Het maakte me waakzaam en ik leerde dat spontaniteit gevaarlijk kon zijn. Het was veiliger je kaarten voor je borst te houden.

Gaandeweg kreeg ik steeds minder zin om wedstrijdjes te spelen, die ik toch ging verliezen, en ik creëerde voor mezelf een wereld van kleur en muziek, waarin ik me terug kon trekken en die ik met niemand hoefde te delen. In woorden en beelden vond ik een uitlaatklep, die veel beter bij mij paste dan die competitie.

Ho’oponopono ~ een oude Hawaïaanse manier van verzoening en vergeving.

De katholieke jongensschool, waar ik op zat, was gevestigd in een gebouw met donkere bakstenen en hoge ramen. Aan de andere kant van het schoolplein doemden de blinde muren van de kerk op en om de hoek, op het speelplein van de meisjesschool die zich op de eerste verdieping van hetzelfde gebouw bevond, was de achteringang van de kerk.

Een paar keer per jaar werden wij door de kapelaan, die ons godsdienstles gaf, mee naar buiten genomen en dan liepen we in een kleine stoet, twee aan twee, naar de kerk, waar wij in de banken bij de biechtstoel plaats moesten nemen. Eén voor één gingen de katholieke jongetjes de muffe en donkere biechtstoel in, trokken het zwarte fluwelen gordijntje achter zich dicht en knielden voor het raampje, dat was afgezet met een rasterwerk, zodat zij de kapelaan aan de andere kant niet konden zien. En hij hen niet, waarschijnlijk.

Mijn schuldbewustzijn was net zo klein als mijn behoefte aan kwetsbaarheid en daarom vond ik het knap lastig om geschikte bekentenissen te verzinnen. Doodzonden had ik bij mijn weten niet gepleegd, maar welke dagelijkse zonden kon ik uitspreken zonder mijn geloofwaardigheid en eigenwaarde geweld aan te doen? Een kleine vloek, ongehoorzaamheid aan mijn ouders, koekjes uit de koektrommel en suiker uit de suikerpot leken mij een sluitend biechtverhaal en inderdaad, keer op keer kwam ik ermee weg.

De kapelaan sprak mij aan het einde hiervan herderlijk toe, vergaf mij met het uitspreken van de absolutie in naam van Christus mijn zonden, en legde mij een penitentie op. Deze boetedoening bestond uit de oefening van berouw, waarvan de tekst op een papiertje in de biechtstoel hing, en een aantal onzevaders en weesgegroetjes, die ik terug in de kerkbank moest bidden. Hierna mocht ik op eigen houtje weer naar het klaslokaal, waar een aantal jongens inmiddels braaf bezig was sommen te maken uit Geef acht, ons rekenboek.

Kwetsbaarheid en schaamte gaan hand in hand. Net als in het leven van iedereen hebben er ook in mijn leven gebeurtenissen plaatsgevonden, waar ik niet met trots op terugkijk. Maar nog steeds voel ik geen enkele behoefte deze aan de grote klok te hangen. Ik denk ook niet dat mijn schaamte dan plaats gaat maken voor vreugde en dankbaarheid, of dat het mijn onzekerheid en perfectionisme zal wegnemen.

In dit opzicht was die biechtstoel zo gek nog niet, want het biechtgeheim van de priester kon de deur naar ieders kwetsbaarheid openen en de absolutie deed deze weer veilig dicht. Tenminste, als je de geestelijke aan de andere kant van het rasterwerk durfde te vertrouwen.

Stoppen met werken bood mij de kans me te verzoenen met mijn introverte aard. Dat werd tijd ook, want ik werd behoorlijk moe van mijn alter ego. Personeelsdagen waren bijna niet meer op te brengen, vergaderingen werden meer en meer een kwelling. En hoewel ik al jaren naar een protestantse kerk ga, steek ik in de vakantie in zo’n mooie roomse kerk, tussen beelden en schilderijen, nog altijd graag een kaarsje aan voor het Maria-altaar. Daarbij denk ik dan aan iedereen die mij lief is en hoop ik dat alles mij vergeven is. Daarvoor hoef ik niet naar Hawaï.

 

WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat bij Martha een link achter naar je eigen blog.

 

Print Friendly, PDF & Email