#WOT 20: Verpieteren

04. Markettenweg

0      0

Sommige woorden of uitdrukkingen zijn onlosmakelijk verbonden met één persoon of een klein groepje. Lullo hoort bij de acteurs van Jiskefet, zoals pollens bij Barend Servet hoort en Wat goeééééd! bij Martien Meiland. In de Nederlandse politiek behoort de datsja voorlopig toe aan ex-minister van buitenlandse zaken Halbe Zeilstra. Bij At your service! zien we Pim Fortuyn salueren, boreaal allitereert vooral met Baudet en uit de mond van Wilders klinkt het woord minder toch anders dan uit de mond van Wopke Hoekstra. Zijn diepe zakken zullen we voorlopig ook niet vergeten.

In kleinere kring is het al niet anders. Aan mijn kinderen heb ik een aantal woorden overgehouden, die tot het jargon van ons gezin zijn gaan behoren. Mijn jongste dochter was enorm blij met haar nieuwe gebloemde bodywarmer, maar het uitspreken van dit woord was voor een vierjarige nog net iets te moeilijk. Het werd bonniewannie, en sindsdien wordt geen enkele bodywarmer hier meer bij zijn naam genoemd. Hagelslag is jarenlang haghag geweest, cervelaat werd stippeltjesworst en leverpastei om onbekende redenen leversteef. Er schijnt een verband te zijn met het feit dat papa Stephan gruwt van alles waar lever in zit, en dit ook niet onder stoelen of banken stak.

Mijn oudste dochter had een vriendinnetje van wie de vader thuis een orgel had en hierin – waarschijnlijk ongediplomeerd – les gaf. Op een dag kwam ze wat eerder thuis en vertelde dat ze daar weg moest omdat er een orgelklantje kwam. Dit neologisme heeft mij nooit verlaten en nog jarenlang was dit het eerste wat mij te binnen schoot als ik de man zag. Het deed me denken aan Bach, de Matthäus Passion, Judas en zilverlingen, maar waarschijnlijk zegt deze associatie meer over mijzelf dan over hem.

Want ik moet mezelf niet buiten schot laten, mijn eigen bijdragen aan gezinsjargon mogen er ook zijn. Jarenlang had ik kranen in plaats van tranen in mijn ogen, maar vooral het begrip broekhoest was erg geliefd. Tegenover ons huis in Dordrecht lag het Weizigtpark, waar ik uren kon spelen. Op een dag moest ik in een verre hoek van het park naar de wc, en het was nog een hele tocht om thuis te komen. Ik hield mijn billen stevig tegen elkaar geklemd en kwam hierdoor niet snel vooruit. Het ging goed tot ik moest hoesten, en besmeurd dacht ik dat dit wel een goed excuus zou zijn voor mijn gênante situatie. Broekhoest, ik heb het geweten.


Verpieteren = 1) Verkommeren 2) verleppen 3) verwelken 4) wegkwijnen.


Aan mijn schoonmoeder heb ik de uitdrukking ergens bunzig van zijn te danken. De uitdrukking had een negatieve lading en ik vermoedde dat het een oude dialectische uitdrukking was, afkomstig uit het verleden van Krimpen aan de Lek. Maar hierin vergiste ik me, want bunzig is een oude Bargoense uitdrukking voor afkerig of bang, waarschijnlijk afkomstig uit Rotterdam. Bargoens? Ja, ik was weer even terug op de middelbare school, waar ik leerde dat dit de taal van dieven was, vol Jiddische en Hebreeuwse woorden. Zeg maar de straattaal van die tijd. Zo kort na de dodenherdenking ben ik nu vooral bunzig van de combinatie dieven en Jiddisch. 

Mijn eigen ouders kwamen uit Harlingen en mijn vader gebruikte veel plaatselijke woorden en uitdrukkingen om zijn eindeloze verhalen mee op te sieren. Een gebakje was een taartsje, snotneus werd snotbongel, appels uit een boomgaard stelen heette hofke-zingen en logeren was uut-van-huus. Bij dit laatste hoorde slapen op een matras op de grond, een kermisbed, maar dat was een woord dat mijn moeder ook gebruikte.

Regelmatig vertelde zij dat ze na de verhuizing van Beek-bij-Nijmegen naar Harlingen van haar vader geen Harlinger dialectwoorden mocht gebruiken. Wanneer ze dat toch deed moest ze haar zinnen in correct Nederlands herhalen. Nee, onvertogen woorden kwamen niet uit haar mond, haar woordenschat was groot genoeg om genoegen of ongenoegen in nette bewoordingen te uiten.

Spijkerbroeken waren voor haar werkmansgoed, ze was juist erg gecharmeerd van gebakken broeken, een kortstondige reclame-uiting uit de jaren zestig om aan te geven dat de plooi van dergelijke broeken nooit uitzakte. Buiten mijn moeder heb ik nooit iemand hierover horen praten en die broeken heb ik gelukkig nooit hoeven dragen. Terlenka was al erg genoeg, en van trevira werden godzijdank alleen maar jurken gemaakt.

Verpieteren was een woord dat mijn moeder bewaarde voor eten dat op het fornuis moest blijven staan omdat mijn vader later dan verwacht thuiskwam. De aardappels werden papperig, de sla te slap en het vlees gaarde te lang door. Verpieteren gebruikte zij ook in overdrachtelijke zin, om aan te geven dat zij vond dat het met mij op mijn studentenkamer in Utrecht niet echt goed ging. Zelf had ik nergens last van, integendeel zelfs, maar met mijn langer wordende haar en Afghaanse jas kon ik haar daar niet van overtuigen.

Vorige week keek ik in de spiegel en een vale man met raar uitgegroeid haar keek mij aan. Ik zag er verpieterd uit. Mijn moeder kan het niet meer doen, dus ik heb mezelf maar naar de kapper gestuurd. Krijgt ze toch nog haar zin.

 

#WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag publiceert alimolenaar.nl een woord waar je over mee kunt schrijven. Je kunt op ieder moment instappen.

Print Friendly, PDF & Email

Post-navigatie:




Gerelateerde blogposts:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Scroll Up
%d bloggers liken dit: