#WOT 21: Litanie

02. Prinses Irenestraat

0      0

Precies honderd jaar na het herstellen van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland ben ik geboren. Met dit herstel begon de periode van katholieke emancipatie die aan de basis stond van de verzuiling, de situatie waarin levensbeschouwelijke groepen strikt van elkaar gescheiden werden. Mijn wieg stond dus midden in het Rijke Roomse Leven en natuurlijk werd ik omringd door een katholieke opa en oma, katholieke ouders en broers en achtentwintig katholieke ooms en tantes met hun kinderen, mijn katholieke neven en nichten. Bij elkaar opgeteld hadden mijn grootouders vijfenvijftig katholieke kleinkinderen.

Tot aan mijn twintigste ben ik ook omringd geweest door heiligen. Dat begon bij mijn doop, waarbij ik de namen meekreeg van Stephanus, de eerste martelaar, en Paulus, de apostel van de heidenen. De naam Stephanus heb ik te danken aan een neef van mijn vader, die als lid van de Congregatie van Paters van de Heilige Harten van Jezus en Maria sinds 1938 missionaris was in Brazilië, en die ten tijde van mijn geboorte even terug was in Nederland.

Mijn moeder voegde mijn tweede naam Paul toe, een vreemde combinatie die zij mooi vond klinken, maar waar ze inhoudelijk niet diep over nagedacht had. In het Bijbelboek Handelingen past Paulus namelijk op de mantels van de mannen die bezig zijn Stephanus te stenigen, en om het nog vreemder te maken betekent het Griekse Stephanus de bekroonde, terwijl het Latijnse Paulus klein betekent. Ik ben met twee paradoxale namen de wereld in gestuurd.

De kerk waarin ik gedoopt ben is inmiddels een rijksmonument. De Sint-Michaëlkerk in Harlingen is genoemd naar de aartsengel die de duivel bevocht. Mijn ouders zijn er getrouwd en ook mijn twee broers zijn hier gedoopt. De laatste keren dat ik er kwam, was dit steevast voor de begrafenis van een oom of tante, meestal gevolg door een autorit naar het crematorium in Goutum, bij Leeuwarden. De plaatselijke katholieke begraafplaats was niet meer zo in trek. Mijn zusje werd geboren in Gramsbergen, voor haar doop gingen we naar de Sint-Willibrorduskerk in Coevorden.

Na onze verhuizing naar Dordrecht kerkten we in de Sint-Antoniuskerk, genoemd naar Antonius van Padua, een Portugese kerkleraar die de patroonheilige is van de verloren voorwerpen, vrouwen en kinderen, armen, bakkers, mijnwerkers, het huwelijk, reizigers en verliefden. Mijn broers waren er misdienaar, zelf zat ik op het jongerenkoor waarvan de dirigent de vader van mijn beste vriend was. De kleuterschool aan de Vriesestraat was genoemd naar Jacinta, de jongste van de drie kinderen aan wie Maria in het Portugese Fátima in 1917 verschenen was, en de lagere school aan de Singel heette de Sint Jozefschool, genoemd naar de pleegvader van Jezus, de man van Maria.

Mijn vader was lid van de ARKA, de algemene rooms-katholieke ambtenarenvereniging, en éénmaal per jaar liep hij mee in de Stille Omgang door Amsterdam, om het hostiewonder uit 1345 te herdenken. Iedere ochtends lag de toen nog katholieke Volkskrant op de mat en uiteraard waren we geabonneerd op de radiobode van de Katholieke Radio Omroep. Bij verkiezingen hing er een affiche van de Katholieke Volkspartij voor het raam, toen zelfs nog lijst 1. Op aandringen van mijnheer pastoor ging mijn broer naar het Sint Franciscuscollege in Rotterdam, want Dordrecht kende geen katholiek gymnasium. Drie jaar later zou ik hem volgen.

Zelf ben ik nog een blauwe maandag lid geweest van een gymnastiekvereniging met de naam Sint Paul. Destijds vond ik het vanzelfsprekend, maar de combinatie van een apostel met gymnastiekoefeningen komt me nu wat geforceerd over. Het was leuk als de ringen in de kleine gymzaal aan de Brouwersdijk naar beneden kwamen, maar voor de rest vond ik er weinig aan.

Misschien was het net zo lastig om een passende heilige bij voetballen of zwemmen te vinden, maar waarschijnlijk was de invloed van de kerk toch wat aan het tanen. Want de voetbalclub heette Racing Club Dordt en de zwemvereniging Nautilus, de naam van de onderzeeboot van kapitein Nemo uit Twintigduizend mijlen onder zee van Jules Verne. Wellicht dat de met kernenergie aangedreven onderzeeër USS Nautilus SSN571, die in 1954 onder water de Noordpool bereikte, het laatste zetje bij de naamgeving van de zwemclub heeft gegeven en de heiligen het nakijken gaf.


Litanie = 1) langdradige opsomming, 2) klaagzang, 3) jammerklacht, 4) reeks smeekbeden


Het einde van het Heilige Roomse Leven kwam snel. In 1964 verhuisden wij naar de nieuwbouwwijk Crabbehof, waar de straatnamen gedomineerd werden door overleden politici uit alle zuilen. Het kruisbeeld hing niet meer in de huiskamer. De lagere school tegenover ons huis was vernoemd naar Don Bosco, de Italiaanse priester die de levensomstandigheden van jongens wilde verbeteren. Nog wel een heilige, maar zonder wonderen of Sint voor zijn naam. Op zondag gingen we nog steeds naar de kerk, de Verrezen Christuskerk, maar de gregoriaanse gezangen werden al snel vervangen door beatmissen. Voor de huisbezoeken van de pastoor lagen geen sigaren meer klaar.

De modernisering van de kerk tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie frustreerde mijn moeder, omdat nu ineens mogelijk was wat haar vroeger altijd verboden was. In het voorjaar van 1966 zei ze vanuit het niets dat de kerk ons altijd voor de gek had gehouden en dat ze er geen zin meer in had. De zondag ervoor was ik nog mijn bed uit gejaagd omdat ik mee moest naar de kerk, de zondag erna hoefde ik ineens niet meer.

Maar op het Sint Franciscuscollege zou ik nog jarenlang les krijgen van paters, die hun bruine pij langzaam maar zeker vervingen door een grijs pak. De maandelijkse dienst in de schoolkapel kwam te vervallen en bij mijn laatste verplichte bezoek moest ik luisteren naar Jesus Christ Superstar, de rockopera van Andrew Lloyd Webber en Tim Rice. Tot in het eindexamenjaar kreeg ik godsdienstles van pater Van Hemert, die geen orde kon houden en vloekte als een beest. De lessen gingen niet over het ineenstortende roomse leven, maar over Hindoeïsme en Boeddhisme. Ik voelde me in de steek gelaten en misschien verklaart dit ten dele waarom ik uiteindelijk met een protestants meisje getrouwd ben en nu hervormd door het leven ga.

Veertig jaar later zagen mijn vrouw en ik in zuidwest-Frankrijk in de verte de Pyreneeën opdoemen. Daar ergens moest dus Lourdes liggen, de plaats op de bergen waar Maria in 1858 in een grot verschenen was aan Bernadette Soubirous.  Ik wilde er naartoe, met eigen ogen wilde ik het lichtblauwe Mariabeeld zien en er een kaars aansteken. En daarbij bleef het niet. Ik heb inmiddels ook kaarsen aangestoken in Fátima en op de berg Montserrat, in de Sint Pieter te Rome en in de Sint-Franciscusbasiliek in Assisi, waarbij ik denk aan al mijn katholieke familieleden die inmiddels overleden zijn.

Dat katholieke verleden met al zijn heiligen en rituelen laat mij niet los. De warmte en de vanzelfsprekendheid zijn verdwenen, de strenge sociale controle gelukkig ook, maar het Rijke Roomse Leven heeft mij nog steeds een beetje in haar greep. Al is het maar als jeugdsentiment.

 

#WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag publiceert alimolenaar.nl een woord waar je over mee kunt schrijven. Je kunt op ieder moment instappen.

Print Friendly, PDF & Email

Post-navigatie:




Gerelateerde blogposts:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Scroll Up
%d bloggers liken dit: