#WOT 22: Zon

08. Ina Boudier Bakkerlaan

     0

Het wapenschild van de universiteit was voor een student niet te missen. Het stond op de enveloppen die het Instituut voor Geschiedenis mij toestuurde, het stond op mijn collegekaart, op het universiteitsblad en op de vlag die de gevel van het Academiegebouw aan het Utrechtse Domplein op hoogtijdagen sierde.

Tegen een zwarte achtergrond stond de zon te stralen, met in het hart het wapen van de stad in rood en wit. Tussen de punten van de zonnestralen stond het motto van de universiteit te lezen: Sol iustitia illustra nos, de zonne der gerechtigheid verlicht ons. Of dat voor iedereen gold, waagde ik te betwijfelen. Want al snel had ik door dat ik in een links-elitair milieu terechtgekomen was, waarin ik me niet thuis ging voelen.

Als student was ik als een plasje olie dat in een vreemde stad in een vreemde gracht op het water dreef en ik moest vaak denken aan die ene hoek van het Monopolybord: slechts op bezoek.


Zon = 1) hemellichaam 2) lichtbron 3) Helios 4) koperen ploert


Maar een gevangenis was het studentenleven niet, integendeel. En alsof die zon der gerechtigheid de lange jaren op de middelbare school in een korte tijd goed wilde maken, was ik op weg naar de warmste zomers van de vorige eeuw. In juni 1973 verhuisde ik in de stralende zon per bakfiets naar een studentenflat aan de Ina Boudier Bakkerlaan en ik merkte al snel dat ik een kamer had aan de zonnige kant van de flat. Geld voor overgordijnen had ik niet, maar gelukkig was er Balastore, papieren rolgordijnen die het ochtendlicht enigszins filterden en hun best deden de warmte uit mijn kamer te houden.

Het meest opvallende aan een warme studentenflat is de lucht. Voor de deur op de derde etage lag altijd wel een aantal vuilniszakken te wachten op transport naar beneden, in de aangrenzende keuken stond het aanrecht vol vieze pannen en borden en tezamen leverde dat een weeïg aroma op van etensluchtjes en bederf.

In mijn eerste jaar op de flat kwamen er iedere week nog twee schoonmaaksters, die de keuken en het aanrecht weer in toom kregen, maar twee studenten sociologie vonden dit een mensonterende situatie. Het was niet goed anderen jouw rommel op te laten ruimen, dat konden wij zelf ook wel en bovendien scheelde het geld. De werksters gingen de deur uit, maar het zelf opruimen en schoonmaken kwam er niet van. Daar had Herbert Marcuse blijkbaar niets over geschreven.

Op de etage waren ook een paar katten en één bewoner had zijn hond meegenomen, een boxer die bij elke deurbel aansloeg en iedere gast verwelkomde met luid geblaf. Maar honden worden uitgelaten, katten niet en dus was er ook de lucht van kattenbakken, soms vaag, soms penetrant. De geur van de citroengeraniums op de vensterbank kon hier niet tegenop.

De zilvervisjes op het toilet en in de wasruimte trokken zich er ook niets van aan en tierden welig. In aantal werden zij echter overtroffen door de kattenvlooien, die een argeloze medebewoner na zijn vakantie, met zijn kat in een oude sporttas, uit het vloerkleed zag opspringen. Regelmatig stofzuigen bleek toch zo zijn voordelen te hebben.

En toen moest de zomer van 1975 nog beginnen, met maar liefst vier hittegolven: twee in juni, een in juli en de laatste in augustus, die achttien dagen aanhield. Over de grondwaterstand hoorde je toen nog niemand, maar alle bermen, alle parken en ieder grasveld was geel. In de hoogbouwflat van het studentencomplex voelde de faraomier zich bijzonder thuis en werd een ongekende plaag.

In ziekenhuizen en op kantoren werd het tropenrooster populair, de zomertijd was nog niet ingevoerd en vroeg beginnen betekende vroeg klaar. Met een beetje geluk mochten de verpleegkundigen van de hoofdzuster hun panty’s thuislaten, want airconditioning was er nauwelijks. Kantoorpersoneel plakte vast aan hun bureaubladen en stoelen en nergens was al een goed hittebeleid ontwikkeld.

Op die warme studentenflat waren er geen ventilatoren, geen zonneschermen en het hitteprotocol was hier eenvoudig. ’s Ochtends voor college naar het openluchtzwembad, zo lang mogelijk in koele gebouwen blijven hangen en veel koude douches. Als avondeten chili con carne met veel knoflook en Spaanse pepertjes eten, want daar ging je goed van zweten. En daarnaast natuurlijk bier, op de etage lauwe halve liters Grolsch uit een beugelfles en koude biertjes op een terras.

En zo regen de warme dagen zich zinloos aaneen, werd uitgesteld wat uitgesteld kon worden en droomde iedere student van een eigen koelkastje op zijn kamer.

De Zangeres zonder Naam zong die zomer over de Costa del Sol (tingelingeling), Imca Marina vroeg zich af waar de wijn bleef en Typical Tropical vloog naar Barbados. Thuis op de Utrechtse studentenflat luisterde ik ondertussen naar vrolijke vrienden als Jackson Browne en Neil Young en ik hoorde de laatste met onvaste stem zingen: I’m climbin’ this ladder, my head in the clouds. I hope that it matters, I’m having my doubts.

Die twijfel liet ook mij niet los en toen wist ik eigenlijk al dat mijn dagen in Utrecht geteld waren, ik wilde hier weg. Het zou nog een jaartje duren, maar de beslissing op zich voelde al als een bevrijding. Het leven had vast meer te bieden dan achterstallige literatuurtentamens en lauw bier.

 

Het citaat van Neil Young komt uit ‘Borrowed tune’, een nummer van zijn elpee ‘Tonight’s the night’ uit juni 1975. De titel van het nummer heb ik ruim dertig jaar later ook gebruikt als naam voor mijn eerste poging tot een autobiografie. Het is nog steeds een goede bron voor blogs als deze.

#WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag publiceert alimolenaar.nl een woord waar je over mee kunt schrijven. Je kunt op ieder moment instappen.

Print Friendly, PDF & Email

Post-navigatie:




Wat je niet wil missen:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Scroll Up
%d bloggers liken dit: