We’re all going on a summer holiday zong Cliff Richard al in 1963, maar wat mij betreft was dat meer wens dan realiteit. Mijn ouders gingen namelijk niet op vakantie, zij besteedden hun vakantiegeld liever aan nieuwe gordijnen of een stoel. Of aan een zomerjurkje voor mijn moeder. Samen met mijn broers werd ik iedere zomervakantie op de trein gezet, om een paar weken bij familie in Friesland te logeren. Dit was zo vanzelfsprekend, dat ik me toen nooit heb afgevraagd wat mijn ooms en tantes daar nu van vonden. En dan ga ik er voor het gemak maar even van uit dat oma en opa het enorm leuk vonden hun kleinzoons uit dat verre Dordrecht weer eens te zien, en dat drie weken lang. Wat mijn zusje in die weken thuis deed, ook daarvan heb ik geen idee.

Het was mij wel duidelijk dat, als ik in mijn vakantie iets anders zou willen doen dan logeren, ik daar zelf het initiatief toe moest nemen. En dus ging ik op vijftienjarige leeftijd naar het arbeidsbureau, om te zien of er vakantiewerk was. Een jaar eerder, toen ik officieel nog niet mocht werken, had ik geprobeerd met aardbeien plukken wat bij te verdienen, maar dat was geen succes. Of ik was geen doorzetter, want na twee uur op mijn knieën, in een modderig veld met weinig rijpe aardbeien, had ik pas anderhalf mandje vol. Ik rekende uit, dat ik op een uurloon van nog geen gulden zat en gaf het op. Ik kon altijd nog naar Friesland.

De Raad van Arbeid was gevestigd in een statig kantoorpand in het centrum, en een maand lang kon ik daar werken. In juli waren er veel kinderbijslagformulieren te verwerken, en mijn taak bestond uit het opzoeken van de stamkaarten, die bij de formulieren van de aanvragers hoorden. Voor de jonge lezers: er waren in 1969 nog geen computers, en alle benodigde informatie stond geschreven op kaarten, die op een combinatie van de eerste twee letters van de achternaam met de geboortedatum van de kinderbijslaggerechtigde  gearchiveerd stonden. ’s Middags zocht ik de kaarten voor de volgende dag op, ’s ochtends mocht ik de kaarten van de vorige dag weer opruimen. En omdat ik voor één maand ambtenaar in de zin der wet was, had ik tijdens dit vakantiewerk recht op anderhalve dag betaald vakantieverlof.


Zomer ~ Eén van de 4 seizoenen. De astronomische zomer start rond 21 juni, wanneer de dagperiode het langst is en de nachtperiode het kortst. De meteorologische zomer telt de maanden juni, juli en augustus. Het is in dit seizoen dat meestal de hoogste temperaturen worden opgetekend. Ook in dit seizoen telt men de meeste onweersdagen.


Mijn eerste kijkje in de wereld van de volwassen werkende mens was ontnuchterend. De echo van de vraag Wat wil je worden, als je later groot bent? weerklonk nog in mijn hoofd, en hier zaten die grote mensen dag in dag uit, achter tegen elkaar aangeschoven bureaus, formulieren na te kijken, om ze na hun gedeeltelijke fiat door te geven aan de collega, die rechts van hen zat. De tredmolen van een dag op kantoor was nog eentoniger dan het ritme van school. Daar klonk na iedere vijftig minuten tenminste nog een verlossende bel, hier kwam slechts eenmaal per dag het meisje van de postkamer. Plus natuurlijk de koffiejuffrouw, ’s ochtends om halfelf en ’s middags om halfdrie, maar dan met thee. Alleen op vrijdag was het feest, dan was het buiten markt en werden er gevulde koeken gehaald.

Om kwart voor vijf zat de werkdag er bijna op, en tot mijn verbijstering zag ik al die volwassen mensen hun tas inpakken, het bureau op slot doen en dan nog meer dan tien minuten naar de klok zitten kijken, totdat de secondewijzer precies vijf uur aangaf. Na deze langste tien minuten van de werkdag stormde iedereen naar buiten om als eerste bij de fietsenstalling te zijn. Ineens was ik vol begrip voor sommige leraren, die gewoon doorgingen tot de bel ging, of aan het einde van de dag nog de tijd namen even een praatje met je te maken.

Mijn eerst verdiende geld heb ik goed besteed. Donderdag 31 juli was mijn laatste werkdag, en ’s middags kwam een man van de salarisadministratie mijn maandsalaris brengen: tweehonderdveertig gulden, contant in een bruin papieren zakje. Ditmaal was ìk als eerste in de fietsenstalling, en ik reed onmiddellijk naar de platenzaak om Rubber Soul van de Beatles te kopen. Eindelijk had ik geld genoeg voor een elpee, en in die maand achter de kaartenbakken had ik tijd genoeg gehad om te beslissen welke. De volgende dag ging ik de stad in om de kleren te kopen, die ik niet van mijn moeder kreeg, omdat zij ze niet netjes genoeg vond: een broek met wijde pijpen en een sweater van lichtblauwe badstof.

Met nog twee weken te gaan, en met een budget van honderdtwintig gulden, werd het tijd voor mijn eerste echte vakantie. Met drie vrienden van de zwemclub fietste ik naar een camping in Zeeland, waar mijn vader op ons stond te wachten, met in zijn auto onze tent, slaapzakken, sporttassen en transistorradio. Hij liet gelukkig geen adviezen of wijze lessen achter, maar drukte me wel op het hart regelmatig mijn moeder te bellen. Want zij vond het maar niets, dat kamperen. Je kon je thuis toch ook prima vermaken? Bovendien was dat gezelliger voor mijn zusje.

Jongens waren we, aardig, maar nog zo groen als het campinggras. Overdag naar het strand en ‘s avonds flipperen, een voorzichtig biertje en midgetgolfen, dat was het zo ongeveer wel. Het belangrijkste was dat we even verlost waren van onze ouders , maar we waren nog lang niet zo los als die Rotterdammer, die ‘s avonds aangeschoten bij het kampvuur op het strand aankwam en riep: Zijn er nog lekkere wijven vrij?

Voor ons in ieder geval nog niet, die zomer.

 

#WOT: betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat een link achter naar je eigen blog onder het woord van die week zodat iedereen mee kan lezen.

De #WOT is bedacht door Karin Ramaker. Daarna is het overgenomen door Irene van Putten, vervolgens door Hendrik-Jan de Wit en nu dus door Martha Pelkman.

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email