Helemaal schoolrijp was ik waarschijnlijk nog niet, maar in de zomervakantie zou ik twaalf jaar worden en kwam er een einde aan mijn tijd op de lagere school. Mijn ouders en meester Van Loon hadden blijkbaar besloten dat ik naar het gymnasium moest, zodat ik op die zonnige dag in juni 1965 met mijn oudste broer mee ging om op zijn school toelatingsexamen te doen. Hij had mij van tevoren wel op het hart gedrukt dat ik beslist geen korte broek meer aankon en dat ik ook eens wat aan mijn haar moest doen, als ik bij hem op school kwam. Ik keek in de spiegel naar mijn keurige scheiding en had geen idee waar hij het over had.

Omdat er in Dordrecht geen rooms-katholiek gymnasium was en de pastoor aangeboden had zo nodig het reisgeld te willen betalen, was mijn broer al drie jaar eerder naar het Sint Franciscuscollege aan de Beukelsdijk in Rotterdam gegaan. En dus stapten wij die ochtend samen op de fiets naar het station, liet hij mij zien hoe het bij de fietsenstalling in zijn werk ging en maakte mij tegelijkertijd duidelijk dat hij niet blij was met een indringer in zijn wereld.

Natuurlijk was ik wel eens in Rotterdam geweest, met mijn ouders naar Diergaarde Blijdorp of met de zeeverkenners naar het Maritiem Museum, maar desondanks maakte de wandeling van het Centraal Station naar school diepe indruk op mij. We kwamen langs de hoofdingang van het Groothandelsgebouw, gingen bij restaurant Engels de hoek om en liepen over het brede trottoir richting Garage Broedelet. Mijn broer werd af en toe gegroet door een voorbij fietsende klasgenoot en op die momenten voelde ik me meer dan ooit het kleine broertje.

Bij de grote kruising aan het einde van het Weena, met op- en afritten van de Tunneltraverse die via de Maastunnel het noorden en zuiden van Rotterdam met elkaar verbond, moesten wij driemaal oversteken om op de Beukelsdijk te komen, want doorlopen in een rechte lijn was te gevaarlijk. Een politieagent zag erop toe dat wij ons aan de verkeersregels hielden en gebruik maakten van de zebrapaden. De Beukelsdijk zelf was een brede straat met veel verkeer en op de hoek van de Velsenluststraat zag ik voor het eerst het gebouw dat zeven jaar lang mijn leven zou gaan bepalen. Er was geen weg meer terug.


Aanspraak ~ 1) Claim 2) Eis 3) Gelegenheid om met iemand te praten 4) Pretentie 5) Recht 6) Recht om te eisen 7) Recht om te vorderen 8) Rechtsgrond 9) Rechtstitel 10) Toespraak 11) Vordering


In de eerste maanden keek ik tussen Dordrecht en Rotterdam mijn ogen uit en al snel kende ik de volgorde van de treinstations uit mijn hoofd.  Bij station Zwijndrecht was niet veel te zien, bij Barendrecht stond er in een meertje een geel geverfd houten zwembad, station Lombardijen had een noodperron van stalen buizen en houten planken en bij De Kuip reden ook de stoptreinen Rotterdam Stadion voorbij. Na Rotterdam Zuid verschenen aan weerszijde oude huizen met lelijke balkons, die iedere dag weer volhingen met wasgoed. Met de Willemsspoorbrug over de Nieuwe Maas begon het viaduct van het luchtspoor, dat via het roestige Station Blaak over de markt liep en langs de Heliport mij naar Rotterdam Centraal bracht.

Dordrecht was geen kleine stad, maar Rotterdam was toch wel een maatje groter en de stad fascineerde mij. Mijn schoolboeken moest ik afhalen bij boekhandel Hanou in de Witte de Withstraat, als wij buitengym hadden liep ik door een spoortunnel naar het sportcomplex Nenijto,  met aan de overkant de flamingo’s bij de ingang van Blijdorp. In de pauze werd er gevoetbald op het statige G.W. Burgerplein, waar later één van de huizen door Pim Fortuyn omgedoopt werd tot Palazzo di Pietro. Maar ik liep liever rondjes door de buurt, langs de Hunkerbunker, de RVS-flat die speciaal gebouwd was voor alleenstaande vrouwen, of door de Graaf Florisstraat en langs de Heemraadssingel.

In kleine cirkels leerde ik de stad steeds een beetje beter kennen. Een klasgenoot, die aan de Lombardkade woonde, maakte mij wegwijs in de binnenstad en samen luisterden we naar platen bij Dankers, een muziekwinkel naast het Hilton Hotel aan het Hofplein. Op zaterdagmiddag ging ik naar de Lijnbaan of liep ik door de Bijenkorf, in latere schooljaren kreeg ik vrienden die mij lopend naar de Bergweg of met de tram naar Hillegersberg brachten, met de bus naar Overschie of naar de nieuwbouwwijk in de Alexanderpolder en met de metro naar Pendrecht op Zuid. Ik voelde dat de stad mij steeds meer ging omarmen en was er bijna thuis.

Wanneer ik nu door een stuk van Rotterdam loop, dat ik nog van vroeger ken en dat ontkomen is aan de nimmer aflatende bouwwoede, voel ik altijd weer heimwee opkomen. Deze stad heeft mij door mijn puberteitsjaren geloodst en me naar de drempel van de volwassenheid gebracht, en ik denk dat zij er aanspraak op mag maken mijn eerste vriendin geweest te zijn.

En hoewel ik haar na zeven jaar heb verlaten en ik naar Utrecht, weer terug naar Dordrecht, naar Spijkenisse en naar Krimpen aan den IJssel ging, altijd weer roept zij mij zonder jaloezie terug om zich te laten bewonderen en dan laat ze mij kanten zien, die ik nog niet van haar kende. Hoe krijgt ze het toch voor elkaar zo jong te blijven, daar waar ik alleen maar ouder word?

 

WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat bij Martha een link achter naar je eigen blog.

Print Friendly, PDF & Email