Voor mij op tafel ligt een map met al mijn diploma´s en cijferlijsten, van zwemdiploma A tot en met mijn afstudeerbul. Nu ik niet meer werk, zijn ze vreemd genoeg allemaal evenveel waard: niets.  Ze kunnen bijgezet worden in de archiefdoos Voltooid Verleden Tijd, waarin ook nog de diploma´s van mijn vader en moeder zitten. Bij het leegruimen van het ouderlijk huis wilde niemand ze hebben, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen deze stille getuigen weg te gooien. En dat is maar goed ook, want anders had ik nooit geweten dat mijn vader, die er altijd prat op ging sneller te kunnen hoofdrekenen dan wie ook, bij het examen voor de Handelsavondschool juist voor dat vak zijn slechtste cijfer haalde: een mager zesje.

Tussen alle diploma’s zitten ook een aantal certificaten, die aantonen dat ik qua bijscholing mijn mannetje wel gestaan heb. Vooral de omschrijving van de aandachtspunten van de diverse cursussen blijft interessant, want anders zou ik allicht vergeten zijn dat ik bij de training Video Interactie Begeleiding heb leren kleinkijken. Bovendien is het prettig op één van de certificaten terug te lezen dat ook ik een actieve bijdrage heb geleverd aan de bijeenkomsten, bindende voorwaarde voor het ontvangen van dat officiële bewijsstuk. Het Europees Computer Rijbewijs, conflicthantering of kantoorautomatisering in het mbo, ik draaide mijn hand er niet voor om.

Eerlijk gezegd was er in het begin wel een beetje dwang van hogerhand voor nodig. Toen ik eindelijk aan de slag kon, had ik van mijn zesentwintig levensjaren er tweeëntwintig in de schoolbanken doorgebracht, van de kleine stoeltjes op de kleuterschool tot de ongemakkelijke collegebanken. Ik dacht dat het voorlopig wel even gedaan was met leren, maar ik kwam bedrogen uit. De inkt van de handtekeningen op mijn laatste diploma was nog nat, toen ik me moest melden voor mijn eerste bijscholing: leerlingbegeleiding. Blijkbaar waren de verplichte module pedagogiek en pedagogische psychologie der middelbare scholen, en mijn keuzevak didactiek niet afdoende geweest.


Workshop ~ 1) Atelier 2) Bijeenkomst 3) Cursus 4) Clinic 5) Praktijkcursus 6) Soort praktijkles 7) Werkplaats


Voor het eerst maakte ik kennis met het fenomeen workshop, een woord zo lelijk, dat ik blij ben dat ik het hier kan opschrijven en niet hoef uit te spreken. De werkplaats was doorgaans een doorsnee klaslokaal, waar driftig met tafels en stoelen was geschoven tot er een carréopstelling of een U-vormopstelling ontstaan was. Wanneer de tafeltjes per viertal gegroepeerd stonden, wist je dat het laat zou gaan worden. Dan gingen we die middag ook nog in groepjes uiteen, om later de bevindingen van alle groepen weer plenair bijeen te brengen. Het schoolbord voldeed bij die w*shops ook nooit, de rolattributen van onze externe cursusleiders waren flipovers en viltstiften. Zij waren niet van plan die avond met krijt aan hun handen thuis te komen, verschil moest er zijn.

Het concrete gehalte van de bijscholingsmiddagen was doorgaans bijzonder laag. Ons onderwijsteam kreeg kijkrichtingen gepresenteerd, of de cursusleider had geprobeerd de neuzen dezelfde kant op te krijgen. Samenvattend concludeerden we iedere keer weer tevreden dat we tot op dat moment volkomen verkeerd lesgegeven hadden, en dat we opnieuw een paar handvatten aangereikt gekregen hadden om het voortaan beter te doen. Jammer dat de cursusleider niet had kunnen inspelen op onze praktijksituatie, omdat hij geen leservaring had. Maar geen nood, de volgende verplichte bijscholing was nooit ver weg en misschien kon de volgende cursusleider wel orde houden.

Des te opmerkelijk is het dat ik, alle w*shops ten spijt, meer dan dertig jaar les heb kunnen geven in vakken, waarvoor ik niet ben opgeleid. Mijn bevoegdheid maatschappijleer kreeg ik gratis, omdat de rector van mijn eerste school mij naast mijn lessen geschiedenis twee uur maatschappijleer in de maag had gesplitst. Niemand had zin om dat vak te geven aan havo vier en vijf, maar zonder vaste aanstelling kon ik zo’n aanbod natuurlijk niet weigeren. Die aanstelling is er trouwens niet gekomen, want er was inmiddels een overschot aan leraren geschiedenis.

Op basis van die gegeven lesbevoegdheid kreeg ik twee jaar later wel een vaste baan. Vijftien jaar lang heb ik met veel plezier maatschappijleer gegeven op een meao, maar nooit ben ik de wereldverbeteraar geworden die mijn vakbroeders en -zusters wel waren. Toen dit mooie schooltype langzaam maar zeker wegzonk in het huidige mbo, werd maatschappijleer afgeschaft en veranderde het via persoonlijke en maatschappelijke vorming in burgerschapskunde. Omdat ik geen zin had om nog verder weg te drijven, zocht  ik mijn heil in secretariaatspraktijk en stagewerk. Echt gelukkig werd ik daar niet van, maar er was in ieder geval brood op de plank.

Mijn laatste vak kwam dan ook als een verlossing. Een onderwijsmanager vroeg mij, of ik erover na wilde denken om Nederlands te gaan geven. Er waren op dat moment geen leraren te krijgen die, naast het hebben van een onderwijsbevoegdheid voor dat vak, ook nog eens orde konden houden. Ik wilde graag, maar zag weer jaren van om- en bijscholing voor me. Hoeft niet, zei de manager, we hebben er alle vertrouwen in dat jij dat kunt. Omscholing acht de directie niet nodig.

Vanaf dat moment heb ik geen w*shop meer gevolgd. Als omscholing niet nodig was, waarom zou ik mezelf dan nog langer lastig vallen met bijscholing? Voor de cursus Pensioen In Zicht had ik trouwens graag een uitzondering gemaakt. Helaas was deze inmiddels afgeschaft.

 

#WOT: betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat een link achter naar je eigen blog onder het woord van die week zodat iedereen mee kan lezen.

De #WOT is bedacht door Karin Ramaker. Daarna is het overgenomen door Irene van Putten, vervolgens door Hendrik-Jan de Wit en nu dus door Martha Pelkman.

 

 

Print Friendly, PDF & Email