Het gras in de bermen en in de plantsoenen is geel, van de platanen valt het schors naar beneden en het water in de sloot is groen van de alg. Het is een warme zomer en de weerman kijkt regelmatig terug op de vergelijkbare zomer van 1976, waarvan nu alle records gebroken worden.

Mijn kamer op de studentenflat in Utrecht is aan de zonzijde, zodat de cactussen, die op plankjes voor het raam staan, het goed doen. Uitslapen is er deze zomer niet bij, want de zon is ongenadig en bovendien heb ik vakantiewerk. Na een selectiegesprek ben ik in het Antonius Ziekenhuis aangenomen als hulpbroeder, waar ik me iedere morgen om kwart voor negen in een krappe ruimte onder een trap in mijn witte uniform steek. Voordat ik op de mannenzaal de thermometers ga uitdelen, drink ik nog even snel een kopje koffie en breng ik de krant, die ik onderweg bij een sigarenzaak gekocht heb, naar een patiënt die op een hartkatheterisatie ligt te wachten. Als ik mijn moeder vertel over mijn zomerbaantje, is ze bang dat ik met mijn studie zal gaan stoppen.

Twee maanden eerder heb ik mijn kandidaatsexamen geschiedenis gehaald door het laatste bijvak, Rusland onder Catharina II, in een mondeling tentamen met een voldoende af te sluiten. Omdat ik pas in september verder kan in de doctoraalfase, heb ik een lange zomervakantie waarin ik tot de ontdekking kom dat ik het prima vind om het kalm aan te doen, maar dat het moeilijk is helemaal niets omhanden te hebben.

Een gevoel van zinloosheid bekruipt mij, want na zeven jaar middelbare school en vier jaar universiteit is het einde nog lang niet in zicht en ben ik vergeten wat mijn doel ooit was. Waar doe ik het voor, al die literatuurtentamens, al die dagen op mijn kamer met alweer een boek voor mijn neus? Maar als ik met mijn studie zou stoppen, dan moet ik in militaire dienst en daaraan wil ik niet eens denken.

Een jaar eerder is dictator Franco overleden en dat betekent dat nu ook linksgeoriënteerde studenten met goed fatsoen naar Spanje op vakantie kunnen gaan. Een studievriend nodigt ons uit om naar een camping aan het strand bij Barcelona te komen. Hij rijdt daar jaarlijks met zijn ouders naartoe en wil wel een tentje voor twee etagegenoten opzetten. In de kampwinkel en in de kantine kunnen we terecht voor ons eten, zodat we verder onze eigen gang kunnen gaan.

Natuurlijk nemen we dit aanbod aan en terwijl er in Nederland een hittegolf heerst, ga ik voor het eerst naar Spanje. Op weg naar de trein draag ik in mijn ene hand een koffer en in mijn andere hand een oranje koelbox met een bruin deksel, vol blikjes bier voor onderweg. Want we zijn tenslotte studenten.


Thuis ~ 1) Achtergebleven 2) Bijwoord 3) Binnen 4) Binnenshuis 5) Eigen woning 6) Haardstede 7) Heem 8) Home 9) Huis 10) Honk 11) In de eigen woning 12) In eigen huis 13) In eigen woning 14) In huis 15) In huis gebleven 16) In je eigen woning 17) In je woning 18) In zijn huis 19) In zijn woning 20) Niet uit 21) Niet weg 22) Onderdak 23) Op de hoogte


Aan het begin van mijn tweede studiejaar waren mijn ouders, samen met mijn gehandicapte broer en zus, verhuisd naar een rolstoelvriendelijke woning. Bij de bouw van dit huis was niet meer gerekend op mijn andere broer en mijzelf. Wat we niet meenamen naar onze studentenkamers werd weggegooid. Ik begreep deze ingrijpende beslissing van mijn ouders, maar voelde me er niet goed bij en vond het behoorlijk tegenstrijdig dat vooral mijn moeder erop aandrong dat ik iedere week naar huis kwam. Dat was zo gezellig voor mijn zusje.

Want als ik op vrijdagmiddag in Dordrecht aankwam, was de inhoud van mijn tas zo ongeveer het enige wat daar van mij was. Bovendien was in de kleinste kamer van het nieuwe huis het oude stapelbed weer op elkaar gezet, zodat er nog ruimte overbleef voor onze oudste broer, die zijn bed hierheen verplaatste en zo zijn studeerkamer nog ruimer maakte. Ik was drieëntwintig jaar oud en sliep in het weekeinde met mijn ene broer een meter boven mij en met mijn andere broer op gelijke hoogte, op minder dan een meter afstand van mijn hoofdkussen.

Kun je een studentenkamer thuis noemen? Mijn vader vond van wel, maar ik vond het een mager alternatief. Mijn hart lag er ook niet echt, want hoewel ik blij was het huis uit te zijn, verlangde ik nog altijd naar een plaats om thuis te komen. Na vier jaar lang alleen maar studenten om me heen gehad te hebben, hield ik het na die vakantie in Spanje voor gezien en ging ik terug naar Dordrecht, in de hoop er mezelf terug te vinden.

In de stad, waarin ik was opgegroeid, voelde ik me beter op mijn gemak en omdat ik er nu mijn eigen woonruimte had, hoefde ik ook niet langer net te doen alsof mijn thuis nog bij mijn ouders was. De zwemclub was er nog steeds en op donderdag was het studentenavond in café De Meijereische Kar. Oude vriendschappen werden weer opgepakt en er kwamen nieuwe bij. Vrienden die studeerden, die al werkten, die getrouwd waren of samenwoonden. Vrienden zonder collegekaart of academische agenda, ik vond het een verademing en had het gevoel weer in de echte wereld teruggekeerd te zijn.

En te midden van al deze mensen ontmoette ik nog geen drie maanden later de vrouw, van wie ik al heel snel zeker wist dat het thuis dat ik al zo heel lang zocht, dicht bij haar in de buurt zou zijn.

 

WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat bij Martha een link achter naar je eigen blog.

Print Friendly, PDF & Email