Iedere keer als ik tijdens een logeerpartijtje aanschoof aan een vreemde tafel, realiseerde ik mij dat ieder gezin zijn eigen eetgewoontes heeft. Waarschijnlijk waren sommige van die gewoontes een verrijking, maar zij zijn mij niet zo bijgebleven als die andere, de vieze. Mijn moeder wist dat ik niet zo erg van varkensvlees houd, maar het karbonaadje bij mijn opa moest ik toch echt opeten. Als ik geweten had dat ik bij mijn tante het toetje van hetzelfde bord moest eten als de aardappelen met sperziebonen, had ik mijn bordje wel beter schoongemaakt en geen stukjes aardappel in mijn yoghurt geproefd. De verplichte beker warme melk, bij oma voor het slapen gaan, deed mij kokhalzen en in het logeerbed lag ik nog een tijdje misselijk wakker. In die jaren heb ik mij als gast aan tafel waarschijnlijk door het hele assortiment kloppudding van Saroma heen gewerkt, met de smaken vanille en karamel als dieptepunt. Wat was ik blij met de introductie van de vlaflip.

Thuis was het overigens ook niet altijd pluis, want mijn vader was dol op onsmakelijke nagerechten. Custardpudding met tutti frutti of gedroogde pruimen, havermout en griesmeelpap, hij vond het heerlijk maar ik gruwde ervan. Omdat ik op die leeftijd aan de stevige kant was, kon ik die griezeltoetjes gewoon laten staan. Ik hoefde er niet groot meer van te worden, dat was ik immers al. In zijn laatste poging mijn weerzin tegen rijstepap met boter en kaneel te overwinnen, gebruikte mijn vader de macht van het getal en vertelde me dat miljoenen mensen op de wereld rijst aten. Ik vroeg hem toen waarom hij dat niet genoeg vond, waarop hij in de lach schoot. Rijstepap heb ik daarna nooit meer gegeten.

Erwtensoep was ook gevaarlijk. Mijn vader was namelijk keurmeester en kon beschikken over alle vleesproducten die het slachthuis voortbracht. Er zwom van alles en nog wat door onze soep: een varkenspoot, krabbetjes, spek met zwoerd en onbestemde, glibberige stukjes vlees en vet. Mijn vader vond dan dat ik met lange tanden zat te eten en op zo’n moment was de hongerwinter nooit ver weg. Na lang zeuren kwam er gelukkig ook een fabrieksworst in de erwtensoep, zodat ik op zo’n snertavond niet met honger in de hals naar bed hoefde, zoals mijn moeder dat noemde. Of met tegenzin mijn toevlucht moest nemen tot nog een stuk roggebrood met kaantjes.


Smeuïg ~ 1) Dik vloeibaar 2) Lekker zacht en vettig 3) Sappig 4) Saprijk 5) Smakelijk 6) Vettig 7) Zacht 8) Zacht en een beetje vet 9) Zacht en vettig 10) Zacht van smaak 11) Boterzacht 12) Buigzaam 13) Fleurig 14) Goed smeerbaar 15) Lenig 16) Smijdig


Broodmaaltijden waren relatief veilig, want er waren altijd voldoende keuzemogelijkheden. De Hausmacher, bloedworst, schelplever en soms zelfs gekookte koeientong kon ik gelukkig links laten liggen, want er was altijd wel een plakje ham of kaas. Jarenlang heb ik gedacht dat een Nederlandse lunch bestond uit vier boterhammen, waarvan de eerste twee met hartig beleg en daarna twee met zoetigheid: jam, hagelslag of bebogeen. Met enig ontzag spraken wij over een vriendje van mijn broer, dat het bij ons aan tafel presteerde zeven boterhammen met hagelslag weg te werken. Dat hadden wij niet gekund of gedurfd, en we vroegen ons af waarom onze ouders dat hadden toegestaan.

Op de middelbare school zaten er ook altijd precies vier boterhammen in mijn broodtrommeltje, die ik meestal vòòr de eetpauze al weggewerkt had, zodat ik wekelijks bijna de helft van mijn zakgeld uitgaf aan spritsen en negerzoenen. Voor het feit dat het niet in mij opkwam zes, of misschien wel acht boterhammen mee te nemen, heb ik eigenlijk maar één verklaring . Na twee jaar had ik mijn degelijke leren schooltas verruild voor een militaristische pukkel, die je bij de dumpwinkel aan de Dordtse Voorstraat kon kopen. Die schoudertas was niet zo heel groot, zodat ik moest woekeren met ruimte en een grotere broodtrommel geen optie was. De middaguren bleven hun stevige trek houden.

Tussen school en thuis waren er zodoende altijd weer die twee verleidingen, die ik als de mythologische monsters Scylla en Charybdis uit de lessen Grieks probeerde te ontlopen. Maar als ik de eerste wist te vermijden, werd de aantrekkingskracht van de tweede zo sterk, dat ik doorgaans alsnog bezweek.

In de gang onder het Rotterdamse Centraal Station, bij de trap naar perron twee, was namelijk een kleine kiosk waar kroketten verkocht werden. De snack kostte slechts een kwartje en om drie uur ’s middags was mijn weerstand laag. Dolgraag gaf ik toe aan de lokroep van het warmhoudkastje en in de trein at ik vol smaak mijn kroketje op. De schaarse keren dat het lukte het winkeltje voorbij te komen, wachtte mij op het station van Dordrecht de volgende beproeving. Bij de uitgang was een automatiek, waar je naast kroketten ook nasiballen en bamischijven uit de muur kon trekken. Om kwart voor vier was mijn weerstand geheel verdwenen en hapte ik die middag alsnog zo’n gefrituurde traktatie weg.

 

 

#WOT: betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat daar een link achter naar je eigen blog.

 

Print Friendly, PDF & Email