Natuurlijk zouden er tijdens deze reis door Ierland nog meer hoogtepunten komen, maar al op de tweede dag stond de Giant’s Causeway op het programma. Juist een bezoek aan deze rotsformatie van hoekige basaltzuilen had voor mij de doorslag gegeven om in de zomervakantie nu eindelijk eens Ierland te bezoeken, en de eventuele regen voor lief te nemen. Was het mijn voorliefde voor patronen, die dit verlangen ooit had opgeroepen? Of was het de combinatie met de sprookjesachtige naam, een reuzenpad door de zee? Het leek me in ieder geval geweldig dit met eigen ogen te kunnen zien.

De dag begon mooi. Vanuit het hotelraam kon ik de Union Jack in de ochtendzon zien wapperen op de muurschilderingen van Sandy Row, in het protestantse gedeelte van Belfast. Ik dacht aan de grimmige muren met rollen prikkeldraad er bovenop, die elders in de stad de scheidslijn tussen Rome en reformatie nog steeds markeerden en was blij de beklemmende stad achter me te kunnen laten. Maar ondertussen zocht ik op mijn i-Pod muziek van Them op, de groep uit Belfast, en ik vroeg me af aan welke kant van de scheidslijn Gloria in de jaren zestig gewoond had.

De weg naar het noorden liep pal langs zee en het viel me op dat, hoewel het niet echt druk was, onze bus niet de enige was die deze kant op ging. In mijn idee lag de Giant’s Causeway op een van God en iedereen verlaten puntje van Noord-Ierland en zouden wij er die dag ongeveer de enige bezoekers zijn. Mijn naïviteit werd hard afgestraft, want het eerste wat ik van deze desolaat gedachte plek zag, was een groot parkeerterrein en een bezoekerscentrum.

De gids deelde de toegangskaartjes uit en vertelde dat wij naar beneden, naar de basaltformaties, konden lopen, maar dat er ook een busverbinding was voor degenen die niet zo goed ter been waren of geen zin in een wandeling hadden. Het was inmiddels gaan regenen en een reisbureau uit Tokyo had alle zitplaatsen in de gereedstaande bus gereserveerd, zodat er niets anders op zat dan te gaan lopen.

Ook in de stromende regen waren de rotsen een bezienswaardigheid, maar ze waren glad geworden en de vakantie duurde nog lang. Risico’s nemen leek niet verstandig en wachten tot de laatste Aziaat voor mijn lens verdwenen was, ging vast te lang duren. In het bezoekerscentrum lokte de warme koffie en sneller dan verwacht waren we weer binnen en had ik tijd genoeg om te onderzoeken wat Ierland aan souvenirs te bieden had. Natuurlijk, zoals overal veel koelkastmagneten en sleutelhangers, maar hier waren ook wollen truien, sjaals en petten. Want wat kun je anders met al die schapen?

De pet was van Donegal tweed en had een mooie Higgins-ruit. Ik zette hem op en was verkocht, want na de regenbui van die middag vermoedde ik dat het geen zomerse vakantie ging worden op het eiland met de veertig kleuren groen. Dat had ik goed gezien, want een paar dagen later was het bij de Cliffs of Mohair zo koud, dat ik daar ook zwichtte voor een bijpassende sjaal.


Pet ~ 1) Baret 2) Flut 3) Hoofd 4) Hoofdbedekking 5) Hoofddeksel 6) Hoofdeksel 7) Klak 8) Kledingstuk 9) Knudde 10) Kunststof 11) Kunststof voor flessen 12) Militair hoofddeksel 13) Muts met een klep 14) Naatje 15) Niet goed 16) Niets waard 17) Nietswaardig 18) Pannenkoek 19) Plas 20) Plat hoofddeksel 21) Slecht 22) Veenplas 23) Veenpoel 24) Waardeloos


Drie dagen later waren we op weg naar Kylemore Abbey, een groot landhuis in een bijna verlaten deel van Connemara, dat later een klooster voor benedictinessen werd. Het was een lange rit, die onderbroken werd in het plaatsje Clifden, waar we een uur de tijd kregen om te lunchen. Dat uur hadden we niet nodig, zodat er nog tijd overbleef om er rond te lopen. Voor de gele muur van het postkantoor vond ik het nodig om een selfie te maken, want ik had mijn nieuwe pet op en dat wilde ik het thuisfront die avond laten zien.

Toen ik mijzelf op de foto zag, schrok ik een beetje. Natuurlijk wist ik wel dat ik met het verstrijken van de jaren meer op mijn vader was gaan lijken en minder op mijn moeder, maar de gelijkenis was nog nooit zo treffend geweest. Onder die pet leek ik als twee druppels water op hem en dat was iets dat ik jarenlang zoveel mogelijk had willen vermijden. Ooit had ik de conclusie getrokken dat hij niet de vader geweest was die ik nodig had, en dat ik de zoon geweest was van wie hij niet veel begreep.

Mijn boosheid hierover was wel langzaam aan het wegebben, maar ik had er nog steeds behoefte aan onze uiterlijke verschillen te benadrukken, om hiermee ons verschil van inborst te laten zien.

Op die straathoek in Ierland herinnerde ik me opeens ook weer de mij onbekende neef van mijn vader, die bij zijn crematie naar me toe kwam en zei: Jij moet wel een zoon van Lieuwe zijn, zoveel lijk je op hem. Dat was nu ruim twee jaar geleden en ik besloot dat langer ontkennen zinloos was. De volgende dag vroeg ik mijn vrouw een foto van mij te nemen in de haven van Galway. De zon scheen, ik zette mijn pet op en kon hierom hartelijk lachen.

Het is waar, met of zonder pet lijk ik op mijn vader. En tegenwoordig vraag ik me soms af of ik hem, zonder die paar maanden in kamp Amersfoort, ook iets beter had kunnen begrijpen.

 

WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat bij Martha een link achter naar je eigen blog.

Print Friendly, PDF & Email