Gek is dat toch, iedere tweejarige peuter ontdekt de kracht van nee en gebruikt dit te pas en te onpas om de ontdekking van zijn eigen wil te vieren. Maar al snel verliest het magische woord iets van zijn kracht, omdat grote mensen er hun eigen nee tegenover stellen en er op zijn best een patstelling ontstaat, die doorgaans ten nadele van het kind doorbroken wordt door subtiel machtsvertoon of lessen in gehoorzaamheid. Vervolgens gaat dat nee ondergronds, om tien jaar later in alle hevigheid in het puberbrein terug te keren. Tenminste, zo ging dat bij mij.

Achteraf kan ik me erover verbazen, hoe vasthoudend zowel mijn moeder als ikzelf waren als het ging om mijn uiterlijk. Ergens in de tweede klas van de middelbare school moet ik besloten hebben om mijn haar lang te laten groeien, maar als ik naar pasfoto’s uit die tijd kijk, zie ik een jarenlang gevecht om iedere millimeter. In de vijfde klas bedekte het haar eindelijk mijn oren, maar pas in het eindexamenjaar begon het ergens op te lijken. Aan mijn twee oudere broers had ik op dit terrein niet veel, want zelfs die ene keer dat we afspraken nu eens niet gehoorzaam naar de kapper te gaan, was ik bij het avondeten de enige die inderdaad niet geweest was en kreeg ik in mijn eentje de volle ouderlijke laag.

Kleding was ook zo’n punt. Marlon Brando had al in The wild one, de beroemde film uit mijn geboortejaar 1953, de spijkerbroek onsterfelijk gemaakt, maar vijftien jaar later wilden mijn ouders er nog steeds niet aan. Een spijkerbroek was werkmanskleding en hetzelfde gold voor een ribbroek van manchester of corduroy. Mijn ene opa was kleine zelfstandige geweest, mijn andere opa ambtenaar bij de belastingdienst, dus arbeiders waren wij niet en natuurlijk gingen wij ons ook niet zo kleden.

Dus werd het iedere keer weer een duffe grijze terlenkabroek, het liefst nog met een wit overhemd en een donkerblauwe trui. Wanneer ik dan met een misprijzend gezicht het pashokje van de herenmodezaak uitkwam, begon mijn moeder steevast over de gulden middenweg en dat we het allebei mooi moesten vinden. Mijn kant van het compromis was te vinden in de gebloemde stropdas en de oranje sokken, maar verder dan dat kwam ik niet.

Tot ik, geïnspireerd door de studentenopstanden in Parijs en Londen in mei 1968, eindelijk besloot mijn hakken in het zand te zetten en mijn moeder met alweer een grijze pantalon alleen in de winkel achterliet. Voor iets goeds naar Bervoets, maar niet meer voor mij. De volgende broek was nog geen spijkerbroek, maar terlenka en grijs verdwenen voorgoed uit mijn kledingpalet.


Nee ~ 1) Afwijzing 2) Bijwoord 3) Botte ontkenning 4) Neen 5) Negatie 6) Negatief 7) Ontkennend antwoord 8) Ontkenning 9) Uitroep van onmogelijkheid 10) Verbod 11) Verbodscommando 12) Verrassende huwelijksuitroep 13) Veto 14) Weigering


Erg hip was het dragen van een bril niet, maar met glazen van min vijf had ik niet veel keus. Mijn zwarte nerdbril zou Buddy Holly of Hank B. Marvin van de Shadows niet misstaan hebben, maar zij waren in 1968 verleden tijd. In 1967 droeg de kippige John Lennon in de film How I won the war al een ouderwets rond legerbrilletje, maar toen hij een jaar later op de foto’s bij The white album van de Beatles een ziekenfondsbril droeg, wist ik het zeker: dit ging ook mijn volgende montuur worden.

Mijn ouders zeiden natuurlijk nee, maar ik verzon een list. Ik speelde waterpolo, en zonder bril zag ik de kleur van het vlaggetje van de scheidsrechter niet, zodat ik meerdere malen de verkeerde kant opzwom en de tegenstander een doelpunt cadeau gaf. Dit was een doorslaggevend argument voor een ronde sportbril, die ik de eerste week alleen nog buiten de deur droeg, maar daarna niet meer afzette. Mijn ouders legden zich erbij neer, want ze zagen dat ik mijn oude wil hervonden had.

Toen ik ging studeren, had ik, naast het eindelijk ongehinderd laten groeien van mijn haar, nog één onvervulde wens: een Afghaanse bontjas van schaapsleer, met de vacht nog aan de binnenkant. Deze jassen werden in 1966 voor het eerst in Londen verkocht en bij de presentatie van het album Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club band droeg – wie anders? – John Lennon er een. Zo’n jas was ook in Dordrecht te koop, op de Voorstraat tegenover Bervoets, maar tegen een groter ouderlijk nee was ik nog niet aangelopen. Ze waren te duur om zelf te kunnen bekostigen, dus bleef deze jas jarenlang mijn ultieme hippiedroom.

Tot ik studiefinanciering kreeg en mijn kans schoon zag. Vijf jaar na dato werd ik de trotse drager van een tweedehands Afghaanse bontjas en ik kon niet wachten mijn ouders ermee te shockeren. Dat lukte prima, maar ik heb ze nooit verteld dat ik deze jas een paar maanden later toch maar weer doorverkocht heb. Misschien was het bij de originele exemplaren nog niet het geval, maar na een regenbui stonk mijn felbegeerde jas in ieder geval een uur in de wind, alsof ik in Afghanistan tussen de schapen aan de voet van de Hindu Kush stond. Het bezit van de zaak bleek ook nu het einde van het vermaak.

 

#WOT: betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat daar een link achter naar je eigen blog.

 

.

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email