Gedreven door een gezonde eetlust was ik rond etenstijd vaak in de keuken te vinden. In mijn beleving was ik op die momenten een onmisbare hulp voor mijn moeder, maar eigenlijk denk ik dat zij mij gewoon lekker bezighield. Ik keek toe hoe een vormeloze homp gehakt met behulp van beschuit en eieren omgetoverd werd in gehaktballen, proefde hoe rauwe spruitjes smaakten, roerde in pannen en gaf een kopje water aan. Ik zag aardappels veranderen in puree en mocht ook even stampen. Naast het schoonmaken van aardbeien was vooral het paneren van vlees een traktatie, want van het overgebleven losgeklopte ei bakte mijn moeder in de vleesjus een kleine omelet. Koken leerde ik er niet van, lekker eten wel.

Als schoonmaker in een warenhuis was ik die vakantie ook medeverantwoordelijk voor het legen van de afvalemmers in de keuken van de lunchroom. Er gingen verhalen dat de pinnige cheffin iets had met de chef van de beddenafdeling en natuurlijk was dat een goede basis voor veel flauwe grappen. Het gerucht bleek waar, want een jaar later vroeg een vriend mij of ik zijn zaterdagbaantje als afwasser over wilde nemen. Het betaalde goed, en de eigenaars van het restaurant kenden mij nog uit het warenhuis, dus ik hoefde alleen maar ja te zeggen.

De koks noemden het pasgetrouwde echtpaar steevast mammie en pappie, maar pappie zag ik niet zo vaak. Het was mammie die de scepter zwaaide, althans in het restaurant, want de keuken was het domein van de chef-kok die als een dikke generaal aan het hoofd van zijn troepen stond. Mijn slagveld was de spoelkeuken, waar ik in een hoog tempo moest zorgen voor schone borden en bestek om de obers te vriend te houden, en voor schone koekenpannen en pollepels om de koks tevreden te houden.

Afwassen leerde ik er als de beste, koken niet. Ja, dat een goede mise-en-place het halve werk was, werd mij al snel duidelijk. Want als het gelijktijdig uitserveren van vier à la cartegerechten voor één tafel misging, lag dat altijd aan de gebrekkige voorbereiding door één van de koks. Er was te weinig vlees voorgebraden, te weinig bruine saus gemaakt of te weinig garnituur gesneden en dat zou de desbetreffende kok weten ook.

In mijn pauze eten wat de pot schaft was bepaald geen straf. Ik at hazenpeper met mousseline van aardappels, een Wiener schnitzel met patat frites en ravigottesaus of twee kroketten op brood met sla en zuur. En natuurlijk een ijsje met mandarijnen uit blik en veel slagroom toe.


Ei ~ 1) Boterhambeleg 2) Bron van proteïnen 3) Broodbeleg 4) Cel 5) Deel van het lichaam 6) Dierenproduct 7) Dierlijk product 8) Doetje 9) Eicel 10) Elektronisch ingenieur 11) Elektrotechnisch ingenieur 12) Elektrotechnisch ingenieur (afk.) 13) Embryo 14) Etenswaar 15) Geslachtscel 16) Grondstof voor een omelet


Ik ging studeren in Utrecht en moest toen zelf aan de bak. Op mijn eerste kamer was koken nauwelijks een optie, want er was geen aanrecht, geen gasfornuis en geen warm water. Dus at ik in de mensa, de gaarkeuken voor studenten waar het eten niet duur was, maar ook niet erg lekker. Het rook er vreemd, naar gestoomd voedsel en damp van vaatwasmachines. Maar er stond wel een kleurentelevisie, zodat we op maandagavond in ieder geval naar Top-Pop konden kijken.

Bovendien was de mensa een eind fietsen, zodat ik op dagen dat ik ’s middags geen college of werkgroep had, regelmatig mijn toevlucht nam tot het elektrische kookplaatje en een doosje met eieren. Gekookt, gebakken of als omelet. Zonder een plakje ham, want een koelkast had ik ook niet.

Graag denk ik dat ik het recept zelf verzonnen heb, maar zeker ben ik daar niet van. Maar ik ben in die tijd regelmatig gered door mijn eierprutje, eigenlijk een roerei met gesnipperde ui in kerriepoeder en blokjes tomaat. Een eenpansgerecht, erg lekker en snel klaar en nog goedkoper dan de mensa. Als ik ‘s avonds met huisgenoten nog even de stad in ging om een biertje te drinken, was het roerei echter niet toereikend en zo ontdekte ik de heerlijke hamburgers met pindasaus bij Broodje van Sjaak op de hoek van de Choorstraat en de Stadhuisbrug.

Tien maanden later verhuisde ik naar een studentflat met gemeenschappelijke keuken. Hier begonnen mijn jaren van chili con carne met groene paprika, macaroni of zilvervliesrijst met een blikje ragout en doperwtjes. Soms werd de macaroni vervangen door spaghetti, maar het echte lekkere eten kwam nog steeds uit de keuken van mijn moeder. Tenminste, als ik in het weekeinde naar huis ging, anders werd het nasi goreng djawa van de afhaalchinees, met atjar tampoer en vliespinda’s.

Het heeft minstens dertig jaar geduurd voor ik weer een bord chili con carne naar binnen kreeg, zo vaak heb ik dat in die drie jaar op de studentenflat voorgeschoteld gekregen. Het eierprutje bleek als lunchgerecht wel een blijvertje, dat ’s zomers ook een makkelijke campingmaaltijd was. Ik heb nog altijd een goede bus kerrie in huis en als er tomaten overrijp dreigen te worden, dan is het weer zover. Dan ben ik direct ook weer even terug op de Amsterdamse Straatweg in Utrecht of op camping Le Pinada in Villerouge-la-Crémade in de Franse Corbières.

Dat lukt alleen met eieren, bruine bonen krijgen het niet voor elkaar en zilvervliesrijst al helemaal niet.

 

WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat  bij Martha een link achter naar je eigen blog.

Print Friendly, PDF & Email