De Olympische gedachte is het niet met mij eens, maar ik vind meedoen aan een wedstrijd eigenlijk alleen maar leuk als er een kans bestaat dat je kunt winnen. Misschien liggen de spelletjes schaak, die ik vroeger met mijn broer speelde, hieraan ten grondslag. Van hem winnen kon ik niet, omdat hij een scherp wiskundig inzicht had en de verschillende schaakpatronen op het bord sneller herkende dan ik. Dat laatste is niet helemaal waar, want het heeft lang geduurd voordat ik überhaupt doorhad dat er terugkerende patronen waren, dus van enige snelheid mijnerzijds was eigenlijk geen sprake.

Iedere partij was voor mij weer een nieuwe ontdekkingstocht, waarbij ik het liefst de paarden liet springen en de raadsheren links liet liggen, omdat zij een beetje op ratten leken. Eigenlijk was ik voor hem alleen maar een sparringpartner, op wie hij zijn ingestudeerde openingen kon loslaten. Voor het middenspel moest hij op zoek naar een andere tegenstander, want tegen die tijd stond ik allang schaakmat. Mat in vier zetten was mijn dieptepunt, en mijn broer vertelde me triomfantelijk dat dit herdersmat heette. Vanaf dat moment hield ik de vierenzestig velden voor gezien.

Gelukkig kregen wij op school wekelijks een dictee, en daar was ik wel goed in. De bekende valkuilen in woorden als commissaris of onmiddellijk wist ik trefzeker te ontwijken en op het kofschip was ik matroos eerste klas. Na zes weken behoorde ik tot het selecte groepje leerlingen, dat nog geen enkele fout in zijn dictees gemaakt had, en op het bord stond mijn naam in sierlijke schrijfletters tussen de andere koplopers. Vanaf dat moment was winnen belangrijker dan meedoen en ik schatte mijn kansen hoog in. Dicteekampioen, dat leek me wel wat.

Het ging nog twee dictees goed, en toen kwam de klap. Misschien deed ik wel iets teveel mijn best, want in een moment van overconcentratie besloot ik dat hij werd in de derde persoon enkelvoud een -t moest krijgen, en ik schreef hij werdt. In de tegenwoordige tijd zou dit natuurlijk goed zijn geweest, maar ook toen bestond er al geen werkwoord werden, wel worden. En het werd nog erger.

Baat het niet, dan schaadt het niet, dicteerde de meester en ik begreep niet wat hij bedoelde. Van het werkwoord baten had ik nog nooit gehoord, wel van baden. Maar dat leverde de onzin-zin op: Baadt het niet, dan schaadt het niet. Betekende dat dan, dat jezelf niet wassen niet erg was?  Dat kon ik me niet voorstellen, want we hadden thuis net een nieuwe douche gekregen en mijn moeder kon niet nalaten te benadrukken hoe fris en schoon dit was. Bij gebrek aan alternatief schreef ik baadt, en de volgende dag werd mijn naam van het bord geveegd. Ik was uit de kopgroep verdwenen.


Dictee ~ 1) Bijzondere taalles 2) Dictaat 3) Diktee 4) Iets zeggend laten opschrijven 5) Schrijfoefening 6) Spellingsoefening 7) Spellingstoets 8) Spellingtoets 9) Speloefening 10) Speltest 11) Stijloefening 12) Taaloefening


Om de agenda van de maand december tussen Sint en Kerst nog wat voller te krijgen, wordt sinds 1991 Het Groot Dictee der Nederlandse Taal gehouden. Bekende en onbekende Nederlanders en Vlamingen verzamelen zich in de vergaderzaal van de Eerste Kamer en krijgen een dictee voorgelezen, dat een speciaal geselecteerde schrijver taalkundig in elkaar heeft geknutseld. Blijkbaar zijn de voorrondes makkelijker dan het dictee zelf, want het lukt echte taalfans regelmatig een foutloos repetitieblaadje in te leveren. Het grote dictee zelf is daarentegen meedogenloos: vorig jaar maakten de kandidaten gemiddeld achttien fouten, de minst slechte deelnemer had er nog altijd zeven. Om in schooltermen te spreken: met een norm van twee fout per punt zou deze Vlaming slechts een magere 6,5 gehaald hebben, tegen een klassengemiddelde van 1,0.

Dat de kandidaten niet hoger scoren, kun je hen niet kwalijk nemen. Natuurlijk hadden deze spellingsfetisjisten thuis al goed geoefend op klassiekers als het przewalskipaard en het a capella-koor, natuurlijk weten zij dat een inwoner van Bussum een Bussumer is en dat de inwoners van Hilversum een extra -m moeten meenemen om Hilversummer te zijn. Ook voor de c-sleutel en de d-cup draaien zij hun hand niet om. Ongetwijfeld kennen zij de lijsten met drie- tot vijfduizend venijnige dicteewoorden, zoals deze op internet te vinden zijn. Hoe voel je je dan, vraag ik me af, als je daar op het groene pluche woorden voorgeschoteld krijgt als kladderadatsch en krambamboeli? Hoe vaak zouden zij daarvoor hebben willen trouwen met een balalaikaspeelster? Of intieme foto’s naar het hele kantoor hebben ge-cc’d?

Ik houd van taal, anders was dit blog niet geschreven. Maar als taalfan de stellende trap is en taalfetisjist de vergrotende, blijft er voor de overtreffende trap maar één woord over: taalnazi. Misschien ben ik dat weleens een beetje, wanneer ik het weer eens niet kan laten taalfouten bij anderen te verbeteren. Een taalmasochist ben ik echter niet, daarvoor moet je meedoen aan Het Groot Dictee der Nederlandse Taal. En daarvoor heb ik teveel schaakpartijen kansloos verloren.

 

#WOT: betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verschijnt er een woord waarover je iets kunt schrijven, vloggen of ploggen. Laat een link achter naar je eigen blog onder het woord van die week zodat iedereen mee kan lezen.

De #WOT is bedacht door Karin Ramaker. Daarna is het overgenomen door Irene van Putten, vervolgens door Hendrik-Jan de Wit en nu dus door Martha Pelkman.

Print Friendly, PDF & Email